Waar komt oelewapper vandaan en wat betekent het?

Oelewapper betekent ‘sufferd’, ‘sukkel’, ‘slome duikelaar’. De herkomst van dit woord is niet duidelijk.   

Het is nog niet zo’n oud woord; oelewapper is ergens aan het begin van de twintigste eeuw ontstaan. Het Chronologisch woordenboek dateert het eerste gebruik van het woord tussen 1931 en 1940. Het oudste krantencitaat waarin het voorkomt, dateert uit 1941. In de Graafschap-bode van 8 juni van dat jaar wordt een bakker uitgemaakt voor “oelewapper”.

Het eerste deel van oelewapper is volgens het Etymologisch Woordenboek van Van Dale (1997) waarschijnlijk het verouderde tussenwerpsel oele. Vroeger werd ‘ja, oele’ ongeveer gebruikt zoals wij nu ‘ja, dáág’ gebruiken: ‘het mocht wat, ik geloof er niks van, zoek het maar uit’. Het tweede deel wapper is een verouderd woord voor ‘slungel’. 

Een andere verklaring gaat uit van een verband met het Limburgse woord oelewapper, dat ‘pottenbakker’ betekende. Oele zou dan teruggaan op het Latijnse aula of olla (‘pot’). Wapper zou dan van het werkwoord wapperen komen. Een pottenbakker is immers iemand die met zijn ‘wapperende’ handen een kruik of pot maakt van klei. 

Opvallend is ook het bestaan van het Friese woord ûlewapper, de naam van een grote nachtvlinder; ûle betekent ‘uil’. Ûlewapper is ook een scheldwoord voor een sufferd, net als ûlewabbes

Er doet nóg een verklaring de ronde over de herkomst van oelewapper. Die klopt zeker niet, maar ze is wel grappig. Oelewapper zou volgens die verklaring dateren uit de periode van de Spaanse bezetting, de Tachtigjarige Oorlog. Op een zekere dag zouden een paar Spaanse soldaten een Nederlandse vrouw hebben gezien en toen hebben uitgeroepen: ‘Olé guapa!’ (‘Wat mooi!’, oftewel: ‘Wat een stuk!’) Deze uitroep zou vervolgens verbasterd zijn tot oelewapper.