Deze week verschijnt het Groot Vlaams Wielerwoordenboek, van taalcolumnist en wielerfanaat Ann De Craemer en wielersportjournalist en -commentator Michel Wuyts. Dit woordenboek beperkt zich tot het kloppend hart van het wielerjargon: de Vlaamse taal – en bevat dus enkel typisch Vlaamse woorden.

Het selectiecriterium dat de twee auteurs hanteerden was simpel: schoonheid. Tweevoudige schoonheid zelfs, want het woord moest niet alleen welluidend zijn, maar het moest ook een zekere emotionele lading hebben. Uiteindelijk bleven zeventig van zulke dubbelmooie woorden over; die werden voorzien van een taalkundige uitleg vol woordspelingen en wist-je-datjes (door Ann De Craemer), en een verhaal uit de buik van het peloton met vaak ongekende anekdotes (door Michel Wuyts). Hieronder het lemma over skarten.

Skarten

Ann De Craemer In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, komt niet alle wielertaal uit het mythische verleden der flan­driens. Skarten is een neologisme dat in het voorjaar van 2017 door Yves Lampaert werd geïntrodu­ceerd nadat hij Dwars door Vlaanderen had gewonnen. Ondertussen wordt de term aardig getest door commenta­toren tijdens live-uitzendingen in onze vlakke contreien. Of andere regio’s op de kar springen valt af te wachten: veel Spanjaarden, Engelsen, Fransen of Duitsers zullen struikelen over de prominente r. Goed dat China vooralsnog geen wielerland is.

Skarten is West-­Vlaams voor ‘krabben’, met name bij hevige jeuk of als men de oplossing van een Zweedse puzzel niet vindt. In de koers ‘skart’ men als een ontsnapt groepje renners ternauwernood kan worden bijgehaald of wanneer men boven op een helling weer aansluiting vindt bij de staart van het peloton. Waarom men dan moet krabben, is tot op heden een raadsel, tenzij het net voor het aanhaken kietelde om te demarreren. De enige manier om skarten te duiden is door een andere wieler­term te gebruiken: krasselen. Maar ook die uitdrukking – geleend van het schaatsen – maakt niet veel wijzer. De wieler­etymologie heeft haar eigen, onontwarbare wetten. Wie daarvan de kriebels krijgt, weet bij dezen wat te doen.

Michel Wuyts Albéric Schotte reed die tweeëntwintigste augustus van het jaar ’48 als door demonen bezeten. De donkere geesten hadden een naam: Gino Bartali en Fausto Coppi. De eerste had met overmacht een beestachtig zware Tour de France gewonnen, 26 minuten voor Schotte zelf. De West-­Vlaming wilde nu zo snel als dat kon van de Toscaan af. Daar in Valkenburg viel hij in overmoed in de tweede van 26 ronden aan. Goed zot, mijnheer. Als verbetenheid een gezicht moest krijgen, was het dat van Schotte wel. Op de verkruimelde klinkers van de Cauberg reed hij zo hard dat degenen die hem volgden zuchtten van vertwijfeling. Zelfs in de afdaling van de Geulhemmerberg kende Schotte geen rust. Aandacht bleef vereist. Het aarden wegdek lag bestrooid met verraderlijk grind. ‘Ik reed de hele dag op kop. Zonder omzien. Ronden tellen deed ik niet meer. Ik stormde blind vooruit. Die Italiaanders mochten mij niet te pakken krijgen. Op de duur zat alleen Apo Lazarides aan mijn wiel. Een verraderlijk klimmertje, die Fransman.’ Lazarides, nordiste en zoon van Griekse ouders, speelde het spel van venijn. Doseren, veinzen. Zo’n 100 meter goede wil per ronde volstond. Kwam het door de ophitsende regenvlagen? Feit is dat Briek geen moer gaf om de gespeelde onmacht van de kwieke fransoos. De Belg negeerde de signalen van verzuring. Het was alsof hij in dwaasheid zijn hoofd op het blok legde. Natuurlijk kwam het onheil. Op de allerlaatste klim van de Cau wipte Lazarides fluks over Schotte heen. Briek wrong, Briek sleurde, Briek skartte de pietluttige restjes uit zijn terrine en dichtte in nevelen van pijn het gat van 10 meter. In ontbering kan een mens meer, in razernij nog veel meer. Albéric Schotte stormde Apo Lazarides voorbij en werd met opeengeklemde tanden wereldkampioen. Zonder zegegebaar. De handen bleven krampachtig aan het stuur. Briek kreeg ze doodeenvoudig niet meer omhoog. Op de hoogste podiumtrap keken zijn diepliggende karbonkels in de diepte naar de komst van de grote Italianen. Ze kwamen niet. Ruim een uur eerder waren ze uit ontreddering het laantje naar hun hotel in gedraaid.