Zaterdag 29 mei begint de Boekenweek, die eerder dit jaar was uitgesteld. Hanna Bervoets, auteur van het Boekenweekgeschenk Wat wij zagen, werd voor het februari/maart­nummer van Onze Taal geïnterviewd door Jan Erik Grezel. Een gesprek over het ambacht dat schrijven is.

“Ritme is de basis van mijn stijl”

“Wat is normaal? Wie bepaalt de norm? En wat gebeurt er als we aan de normen gaan morrelen? Deze vragen lopen als een rode draad door mijn werk. Ik ben daarnaast gefascineerd door kameraadschap en gedwongen vriendschap. Het Boekenweekgeschenk bevat al die elementen. Ook het harde, rauwe randje.”

Voor heel wat lezers zal het Boekenweekgeschenk de eerste kennismaking zijn met schrijfster Hanna Bervoets (1984). Recensenten roemen haar romans vanwege de rake observaties, de originele beelden en de voelbare spanning. Het grote publiek zal dat alles mogelijk ervaren bij Wat wij zagen, Bervoets’ novelle die verschijnt aan het begin van de Boekenweek (29 mei).

Het verhaal begint gedurfd. Wie er nog niets over heeft gehoord of gelezen, raakt op de eerste bladzijden ontregeld. De openingszin luidt “En wat zag je dan allemaal?” Die vraag krijgt de ik-figuur “belachelijk vaak”, in verschillende variaties: “Maar wat is nou het ergste wat je ooit gezien hebt?” Waar gaat dit over? Wie is de ik-figuur? En tegen wie heeft zij het?

Dat wordt na enkele bladzijden duidelijk. Hoofdpersoon Kayleigh heeft een tijd als ‘content moderator’ gewerkt. Dat is iemand die een platform op internet controleert. Op zo’n platform kan iedereen teksten en beelden plaatsen. Maar niet alles is geoorloofd. Denk aan grof geweld, porno, foute grappen. Niet alleen internetbedrijven als Instagram en Facebook hebben zulke digitale schoonmaakploegen in dienst.

Choquerende beelden

Even terug in de tijd. Mei 2020. De media maken melding van een opmerkelijke schikking. Facebook betaalt meer dan vijftig miljoen dollar aan moderators die door hun werk getraumatiseerd zijn. De hele dag choquerende beelden en teksten moeten bekijken – dat slaat diepe wonden. Waren de berichten over de schikking voor Bervoets de aanleiding om dit onderwerp te kiezen?

“In december 2019 heb ik het verhaal al bedacht. Ik had The Cleaners gezien, een documentaire die een inkijkje geeft in de wereld van de moderators. Bij mij leefde allereerst de vraag die bij iederéén opkomt: en wat zagen ze dan? Dat is een ramptoeristische impuls. Voor literatuur is dat niet zo interessant, want het levert slechts een plat verhaal op over ‘hoe verschrikkelijk het allemaal was’.”

“Als schrijfster raakte ik geboeid door wat ik las over de gevolgen. Ik heb daar ontzettend veel onderzoek naar gedaan. Moderators lijken zich te gaan gedragen naar de beelden en teksten die ze hebben verwijderd. Zo las ik over een Aziatische medewerker die zelf de meest racistische grappen maakte. Sommige moderators zien zó veel filmpjes over complottheorieën dat ze er zelf in gaan geloven.”

“Een ander aspect aan het werk dat ik interessant vind: die moderators gaan met collega’s een heel hechte groep vormen. Ze doorstaan gezamenlijk hetzelfde drama: te moeten kijken naar al die schokkende beelden.”

Bindmiddel

In Wat wij zagen maakt het groepje moderators ook grove grappen, over Joden bijvoorbeeld. Is dat een verkapte aanklacht tegen racistisch taalgebruik?

“Nee, ik wil nooit aanklagen, ik probeer te duiden en te analyseren in mijn boeken. Mijn hoofdpersonage doet een oprecht onderzoek naar de achtergrond van zulke grappen. Maken ze die onder het mom van ironie? Maar waarom dan? Zitten er sociale processen van insluiting en uitsluiting achter? Taal is bij uitstek een bindmiddel. Maak je zo’n grap, dan hoor je erbij. Het past dus bij die groepshechting. Als persoon en auteur keur ik zulk taalgebruik natuurlijk af. Het is mijn hoofdpersoon die erover nadenkt. Daardoor komt de vraag centraal hoe mensen naar die donkere kant kunnen opschuiven.”

In het begin blijkt al snel dat de ik-figuur tegen een advocaat praat. Dat blijft ze tot het einde toe doen. Vanwaar die opzet?

“Dat schrijft lekker. Het is alsof je iemand tegenover je hebt. Tegelijkertijd zorgt het voor structuur en spanningsopbouw. Als een personage iets achteraf vertelt, dan heb je als auteur een speeltuin aan opties. Ik kan steeds wat informatie ‘droppen’ die vooruitwijst naar de afloop. Dat noem ik een bommetje. Kayleigh, mijn hoofdpersoon, zegt tegen die advocaat – of ze schrijft het, of ze denkt het, dat is niet helemaal duidelijk: ‘Wilt u begrijpen waarom ik zo lang gebleven ben, dan moet u eerst weten hoe en waarom ik precies begon.’ Of deze: ‘Althans, dat is wat ik toen dacht.’ Zulke ‘teasers’ zijn prikkels om verder te lezen. Als het verhaal zich in het nu afspeelt, heb je die mogelijkheden veel minder. Ik wilde het mezelf ook niet te moeilijk maken bij dit Boekenweekgeschenk. Vandaar de keuze voor de ‘terugvertelling’.”

Hits

De ik-figuur heet Kayleigh. Dat is een vrij ongebruikelijke naam.

“Die speelde al door mijn hoofd voor dit verhaal toen ik toevallig op Instagram een meisje tegenkwam dat zo heette. Zij zag er precíés zo uit als ik me mijn hoofdpersoon voorstelde. Whhooo, dacht ik, ik heb haar gevonden! Ik gebruik door mijn hele oeuvre heen veel Amerikaanse namen. Dat komt door mijn misschien onterechte liefde voor de Amerikaanse cultuur. Ik ben een kind van de jaren negentig. Toen kwam er voor het eerst commerciële televisie, naast de publieke omroep. Die commerciëlen hadden nog weinig eigen ‘content’. Ze kochten dus veel in, bijna allemaal uit Amerika. Zo heb ik ‘The American Dream’ ingepompt gekregen in de vorm van comedy’s, drama’s, waargebeurde verhalen. Daardoor voel ik me beter thuis bij ‘Kayleigh’ dan bijvoorbeeld bij ‘Mieke’. Maar ik heb het verhaal met opzet nergens gesitueerd. Moderators zitten over de hele wereld. Daarom heb ik ook wat Aziatische namen gebruikt. En een belangrijk personage heet Sigrid, heel Europees.”

Je lijkt goed thuis in de wereld van de moderators. Heb je ervaring?

“Ik heb het geprobeerd, omdat ik dat voor het boek kon gebruiken. Maar ik ben niet verder gekomen dan het werken aan ‘hits’. Een hit is een ‘human intelligence task’, een kleine opdracht van een internetbedrijf die je vanuit je huis kunt doen. Ik moest bijvoorbeeld een adressenbestand controleren en vergelijken met namen op LinkedIn. Zo kreeg ik een idee van het werk – niet wat die verschrikkelijke beelden teweegbrengen, maar hoe gekmakend het is om met een computer te werken. Dingen die ik afkeurde, werden toch goedgekeurd op basis van een algoritme. Dan ervaar je hoe het is om je geen mens meer te voelen. En ook hoeveel last je van je pols krijgt.”

Schrappen en schuiven

Hoe pak je het aan, als je een nieuw boek gaat schrijven, zoals voor de Boekenweek?

“Ik werk heel gestructureerd. Eerst maak ik een ‘treatment’, een term uit de filmwereld. Dat is een overzicht van het verhaal in pakweg zes bladzijden. Het is wat je krijgt als een kind een verhaal vertelt: ‘En toen ... en toen ... en toen.’ De verschillende verhaallijnen schrijf ik uit, met alle plotwendingen. Daarna begint het eigenlijke schrijven. In dat stadium zit ik veel te schrappen en te schuiven, maar de hele boel omgooien hoeft dan nooit. Ik weet waar ik begin en waar ik eindig. Een enkele keer verras ik mezelf met een concrete eindscène.”

Wat heb je in Wat wij zagen geschrapt of verschoven?

“Ik besefte goed dat de ruimte van een Boekenweekgeschenk beperkt is: 96 pagina’s. Ik ben bewust dicht bij Kayleigh en ook Sigrid gebleven. Aan de jongens op het werk heb ik een paar extra alinea’s besteed om ze meer profiel te geven. In het verhaal heb ik ze daarom ook wat naar voren gehaald. Maar dat zijn kleine dingetjes.”

In jouw boeken vallen de zogenoemde rationalisaties op, zoals “... misschien komen vragen nooit voort uit interesse in een ander, eerder uit nieuwsgierigheid naar de levens die we zelf zijn misgelopen”. Het is Kayleigh die dit ‘denkt’. Maar hier klinkt toch ook sterk de stem van de auteur in door.

“Ja, ik houd ervan om even uit te zoomen vanuit het concrete verhaal. Vaak gaat het om een beschrijving van omgangsvormen. Ik stel de vraag waarom iemand zich op een bepaalde manier gedraagt of uitdrukt. Dat deed ik in mijn columns in de Volkskrant ook, maar het zit al in mijn eerste roman Of hoe waarom uit 2009. Vroeger waardeerde ik zulke vragen in literatuur. Verhalen worden daarmee wat essayistisch. Ik wil als auteur uitpluizen waarom we de dingen doen zoals we ze doen.”

Metaforen

Je gebruikt opvallende metaforen. Als een liefdesrelatie zonder regelrechte ruzies wordt beëindigd, schrijf je: “We lieten ons scheiden als twee taarthelften, het mes sneed ons precies maar voorzichtig van elkaar, opdat er geen marsepeinen roosjes werden geraakt.” Hoe doseer je zulke beeldspraak?

“Ik streef naar een zekere balans. Als ik in één alinea drie metaforen heb en daarna komen er vijf alinea’s zonder beeldspraak, dan is het niet in evenwicht en schrap ik er een paar. Zulke vergelijkingen komen trouwens wel vrij natuurlijk bij mij op.”

En ze zijn origineel.

“Ik gebruik nooit staande uitdrukkingen, daar ben ik allergisch voor. Op dit moment schrijf ik aan een verhaal vanuit een ‘wij’. Die mensen zeggen wél ‘groeien als kool’ bijvoorbeeld. Ik zou dat nooit in een roman doen, maar in dit verhaal is het verantwoord, omdat het bij de stem van dat wij-organisme past. Als ik het opschrijf, voelt het alsof ik stilletjes iets uit de supermarkt steel.”

“In het Boekenweekgeschenk heb ik het vermeden. Een cliché komt er bij mij niet in. Soms zit ik stilistisch op de wip. Is dit oké? Is het ontroerend of juist lelijk? Een voorbeeld uit de verhalenbundel die ik onder handen heb. Ik schreef: ‘Het verband waarmee we ons hart omwikkelden, was niet meer nodig om ons verbonden te voelen.’ Ik keek ernaar en dacht: nééé, dit moet niet. Misschien alleen al omdat er een ‘hart’ in zit en het hart is altijd tricky in een metafoor.”

Cadans

Jouw zinnen lopen lekker. Lees je hardop voor wat je schrijft?

“Ik hoor de zinnen in mijn hoofd. Ritme is de basis van mijn stijl. In mijn hoofd rijmt alles, niet letterlijk natuurlijk, maar in de verte is het toch een soort klank- en ritmerijm. Bijna elke zin moet aan de eis van goed ritme voldoen. Dat kan bijvoorbeeld door de woordvolgorde aan te passen. Zal ik schrijven: ‘... had gedaan’ of ‘... gedaan had’? Als in de zin ervoor staat ‘... omdat ik niet wist waar hij was’, wordt het ‘... gedaan had’. Vroeger was ik daar nogal neurotisch in, nu is het ietsje minder. Er mag af en toe een zin zijn die een afwijkende cadans heeft, een zin die net even ‘tegentikt’ zonder uit de bocht te vliegen.”

“Zelfs met vertalingen van mijn boeken heb ik dat. Wat het eerst kapotgaat in een vertaling is het ritme. Niet elke vertaler heeft het muzikale taalgevoel dat nodig is om het originele ritme over te brengen. Ik werk nu met een Nederlandse vrouw in Amerika aan een Engelse proefvertaling van dit Boekenweekgeschenk. Zij kan het heel goed. In het Engels kiest zij soms voor een woord dat het Nederlandse niet helemaal dekt, maar het past wel in de cadans. Dan zie ik dat het voor de inhoud eigenlijk niet uitmaakt.”

Je bezigt ook eigentijds taalgebruik: “Het werk dat we deden was volkomen shit.” Gaat dat vanzelf?

“Nee, dit is de taal van het personage en dat is zeker niet zoals ik spreek. Ik zie bij Kayleigh iemand voor me van eind twintig, een beetje ‘streetwise’. Bij haar past niet zozeer straattaal, maar wel wat ik ‘praattaal’ noem.

”Het woord normaal gebruik je in het Boekenweekgeschenk als zelfstandig naamwoord. “... [u] weet hoe ons normaal in elkaar zit”. Is dat te danken aan het nieuwe normaal dat in 2020 zijn intrede deed dankzij de coronacrisis?

“Nee, daar heeft het niet in eerste instantie mee te maken. Dat ‘normaal’ is gewoon mijn thema, al jaren. Ik heb het ook heel bewust gekozen bij de stem van mijn hoofdpersoon. Ik heb zó veel plezier gehad om deze stem te laten horen. Het kwam er ook heel natuurlijk uit. In mijn andere werk hoor je andere stemmen, maar in al dat werk zit ook zeker het een en ander van mezelf.”

Het Boekenweekgeschenk 2021

Wat wij zagen gaat over de gevolgen van het werk als ‘content moderator’. Zo’n moderator is een soort schoffelaar, die een platform op internet opschoont door schokkende beelden of ongewenste teksten te verwijderen. Kayleigh, de hoofdpersoon van de novelle, vertelt in een terugblik aan advocaat Stitic hoe zij in een groep moderators terechtkomt en welke ervaringen zij opdoet. De moderators drinken en blowen er lustig op los, in de pauzes, of na werktijd in de sportsbar. Kayleigh raakt grenzeloos verliefd op collega Sigrid.

Was dat het moment? Het moment waarop ik echt verliefd werd? Misschien wel niet, meneer Stitic. Misschien is verliefdheid niet zozeer een volle spaarkaart aan bepaalde gevoelens en gedragingen, eerder een simpele optelsom van verlangen plus angst. Het verlangen was er vrij plotseling, eigenlijk sinds die eerste zoen, de angst groeide daarentegen geleidelijk: de angst dat ze vanavond niet mee zou gaan naar de sportsbar, de angst dat we deze keer niet zouden zoenen, de angst dat ze zich zou bedenken – dat waren zo’n beetje de gradaties van mijn verliefdheid.

De eerste keer seks was niet memorabel. De eerste keer samen wakker worden was dat wel, ook al was het verdomme kwart over zes ’s ochtends omdat ik een extra vroege dienst had aangenomen. Het was nog donker toen ik het dichtstbijzijnde tankstation binnenliep om koffie en chocolademuffins te halen. De twee andere klanten zagen een grauwe verschijning met afhangende schouders binnenkomen, verdacht zelfs misschien, door die joggingbroek en zwarte hoody, maar man, er lag een prachtige vrouw in mijn bed en bij het afrekenen was ik zo euforisch dat ik de jongen achter de kassa zei dat hij het wisselgeld mocht hebben al was het zowat genoeg voor een pakje sigaretten.

Foto: CPNB / Klaas Hendrik Slump

 


Wat wij zagen van Hanna Bervoets is het Boekenweekgeschenk van 2021. Van 29 mei t/m 6 juni ontvangt u het gratis bij besteding van € 12,50 aan boeken.

 


Steun Onze Taal

Dit artikel uit het februari/maartnummer van Onze Taal bieden we u gratis aan.

Lidmaatschap

Is taal ook voor u belangrijk? Overweeg dan lid te worden van Onze Taal. Daarmee ontvangt u niet alleen tienmaal per jaar ons tijdschrift, maar u helpt ons ook om plezier in en informatie over taal verder te verspreiden.