Dit stuk verscheen eerder in Onze Taal (2/3-nr. 2012).


'Toen in ...' februari 1952: Bengaals bloedbad

Zestig jaar geleden, op 21 februari 1952, eindigde een taalstrijd aan de andere kant van de wereld in een bloedbad. De staat Pakistan beleefde in dat jaar zijn eerste lustrum, maar reden voor een feest was er niet. Er heerste verdeeldheid alom. Allereerst was er simpelweg een geografische verdeeldheid, want tussen het oostelijke en het westelijke gedeelte van Pakistan lag het hele noorden van India (ca. 1500 km). Maar ook in taalkundig opzicht waren de verschillen enorm. In het westen werd vooral Urdu gesproken, in het oosten vooral Bengaals.

Dat de Pakistaanse regering in 1948 uitsluitend het Urdu tot de landstaal van Pakistan bombardeerde, schoot de tientallen miljoenen Bengaals-sprekende Oost-Pakistanen vanzelfsprekend in het verkeerde keelgat. Die onvrede kwam op 21 februari 1952 tot een bloedige climax. De politie opende het vuur op een groep demonstranten, waardoor zeker vier mensen om het leven kwamen.

Inmiddels is dat oosten van Pakistan een zelfstandige staat: Bangladesh, waar de martelaren van 1952 nog altijd geëerd worden. Zo is 21 februari er een nationale feestdag. En het is Bangladesh zelfs gelukt er een internationale gedenkdag van te maken. Op Bengalees initiatief besloot de Unesco in 1999 dat 21 februari voortaan ‘Internationale Moedertaaldag’ is, de dag waarop mensen er wereldwijd van doordrongen moeten worden dat iedere moedertaal gekoesterd moet worden – dat mede om te voorkomen dat de kleinste talen uitsterven.

Voor dat laatste hoeft het Bengaals overigens niet te vrezen. Het is als officiële taal van het dichtbevolkte Bangladesh met 189 miljoen sprekers de op vier na grootste taal ter wereld, direct na het Chinees, Engels, Spaans en Arabisch – maar mijlenver voor het Urdu. Die taal staat met 58 miljoen sprekers (vooral in het huidige Pakistan) op de 22ste plaats.