Hoe ontstaat liefde voor taal? In Onze Taal vertellen prominente taalgebruikers er op gezette tijden over, aan de hand van een tekst die erg belangrijk voor hen is. In deze aflevering kiest schrijfster Mensje van Keulen voor een tekst van F. Bordewijk. 

Tekst: Mariëtte Baarda
Foto’s: Bart Versteeg

Mensje van Keulens vijfenzeventigste verjaardag in combinatie met haar vijftigjarig schrijverschap is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Er verscheen een bundeling van drie recente romans, een volumineuze verzameling korte verhalen, en daar kwam Het kattentheater bij: een rijkgeïllustreerde verzameling verhalen, verzen en prozafragmenten waarin haar favoriete dier de hoofdrol vervult.

Tijdens het gesprek zal haar abessijn Bosie prominent aanwezig blijven; nu eens wil hij zich in de nek van de interviewer nestelen, dan weer wringt hij zich door de luxaflex om naar buiten te kijken – wat Van Keulen vervolgens doet opspringen om het tafereel op beeld vast te leggen.

Of ik alsjeblieft ‘je’ en ‘Mensje’ wil zeggen. Inderdaad past tutoyeren beter bij de ranke, meisjesachtige verschijning die gedurende het interview langs vele zijwegen telkens weer bij een paar hoofdthema’s uitkomt: de liefde voor taal, haar zwak voor proza waarin humor en horror hand in hand gaan, de angst voor de dood en de troost van de verbeelding.

Poezen-Haags

Wat kun je na vijftig jaar auteurschap over schrijven zeggen?
“Dat schrijven en gemakzucht niet samengaan. In veel proza, zelfs in dat van gereputeerde auteurs, kom je soms onnodige herhalingen tegen; dan zegt de auteur dat een ruimte vochtig is nadat eerder de damp uitvoerig is beschreven. En dan heb je natuurlijk de clichés – meestal een vorm van luiheid; hoe vaak lees je niet dat er ‘een film wordt afgedraaid’ in iemands hoofd? Dan denk ik: doe dat nou niet! Laat het weg óf gebruik je eigen woorden. Ook perspectief is iets om op te letten. Dan vraag ik me bijvoorbeeld af: maar kan iemand dat wel zien vanuit die hoek? En verder kun je in teksten vrijwel altijd woorden als toch en eigenlijk schrappen. In columns erger ik me vaak aan dat toch in de laatste zin.”

‘En toen werd het toch nog gezellig.’
“Precies. Soort van: ook erg, net als stuk of stukje. Op een gegeven moment ontwikkelde ik een aversie tegen het woord fijn, al kan ik niet zeggen waarom. Misschien omdat het door de verkeerde mensen werd gebruikt. Het luistert heel nauw.”

In je ‘CatsApps’, de app-conversaties tussen Bosie en de kat van Kees en Barbara van Kooten, wordt de Nederlandse taal anders flink geweld aangedaan.
Lachend: “Ik kreeg na verschijning van Het kattentheater op de CatsApps inderdaad de reactie dat mijn taalniveau aanzienlijk gedaald was. We laten Erik Henri, de kat van de Van Kootens, en Bosie in een volkomen hopeloos poezen-Haags met elkaar praten: ‘gewoon lekka’, ‘nie’ in plaats van niet, ‘kontreleren’ … Het begon als grap toen Barbara een foto van hun slapende kitten appte. Ik stuurde een soezende Bosie terug met de tekst: ‘Ik leg ook nog.’ Maar we vragen ons geregeld af of we Bosie niet wat keuriger moeten laten praten om het goede voorbeeld te geven.”

Marsepein

Hoe verliep je eigen taalontwikkeling?
“In de eerste klas van de lagere school hadden we net wat eenvoudige woordjes leren schrijven toen de juffrouw iets op het bord zette met de vraag: ‘Wie van jullie weet wat hier staat?’ Ik keek naar het woord en de betekenis spróng er gewoon vanaf. ‘Marsepein!’, zei ik.” Het bleek goed. “Het besef dat ik in zoveel letters een woord herkende, bezorgde me een overweldigend gevoel van ruimte. Alle teksten werden ineens bereikbaar; ik kon bij wijze van spreken zó de krant oppakken en lezen. Die vaardigheid hielp me later bij dictees, al vind ik het na die spellingveranderingen lastiger geworden. Het is ook vaak lelijk; die tussen-n in pannenkoek, zo-even met een streepje in plaats van een trema; of appel, zoals in een appel doen, en dan dus zonder accent. Dat is absurd! Er zijn talen die barsten van de accenten en bij ons moeten die paar die we nog hebben er ook nog af.”

In Olifanten op een web, een ode aan je moeder, schrijf je dat je tijdens het leegruimen van je moeders huis een strip met het slaapmiddel temazepam vindt en je daar dan direct de woorden ma en pa en t(h)ema in herkent.
Zolang ik me herinner, doe ik woordspelletjes met mezelf: hoeveel woorden kun je alleen al uit poes halen? Verder kan ik echt op woorden vallen; bijvoorbeeld het oer-Hollandse glasbak of woorden voor etenswaren als mariakaakje, speculaas en tuttifrutti; verder melancholie, lucifer, vergetelheid … Ook vallen mij altijd opmerkelijke woorden en namen op, zoals de in opspraak geraakte minister Opstelten, of een moordenaar die Klinkhamer heet. Of mijn vroegere overbuurjongetje dat Kippenbroek heette, wat ik zo zielig voor hem vond. Ik had zelf óók een hekel aan mijn naam, omdat ik mensje vaak alleen tegenkwam met oud ervoor, en me dan aangesproken voelde. Door vrienden en familie word ik Mennie genoemd, wat ook als roepnaam op mijn geboortekaartje stond.”

Spotprenten

Aanvankelijk koos je niet voor de taal maar voor de beeldende kant.
“Omdat ik op de middelbare school weleens een tekenwedstrijd won, wilde mijn tekenleraar dat ik naar de kunstacademie ging. Maar mijn leraar Nederlands, die tevens schooldirecteur was, prees mijn opstellen. Toen ik me na het spijbelen bij hem moest melden, kreeg ik in plaats van een standje de aansporing me de kunst van het kijken eigen te maken. Een opmerkelijk gesprek, dat ik later in een kort verhaal verwerkte, waarin ik hem laat zeggen: ‘Kijk naar mijn pijp.’”

Hij vond dat je je oog voor detail moest inzetten bij het schríjven!
Van Keulen knikt. “Toch ging ik naar de academie, al bleef ik verhalen en gedichten schrijven op het doorslagpapier dat mijn vader meenam van kantoor. In 1969 publiceerde ik mijn eerste verhalen in Hollands Maandblad, maar pas toen ik in de redactie kwam van het studentenblad Propria Cures, kwam het schrijven weer echt in zicht. In het begin tekende ik vooral omslagen en literaire en politieke spotprenten voor ze.”

Van Keulen staat op en toont portretten van Hans van Mierlo, Joop den Uyl en W.F. Hermans, en een strip die ze beschouwt als de oerbron van de roman Bleekers zomer, haar stormachtige debuut uit 1972. “Nadat de redactie had gepolst of ik niet ook wilde schríjven, kwamen daar de korte verhalen bij. Toen die de aandacht trokken van uitgeverij De Arbeiderspers, was ik inmiddels al begonnen aan Bleekers zomer.”

En de rest is geschiedenis … Wat is het verschil tussen tekenen en schrijven?
“Schrijven is tijdrovender dan tekenen. Wat het soms slopend maakt, is dat je vooraf nooit weet of een verhaal de eindstreep haalt, een onzekerheid waar ik al vijftig jaar mee worstel. Bij elk boek gaat het hetzelfde: dan probeer ik wat uit en denk ik: zó moet het, maar na een paar bladzijden begin ik weer te twijfelen. Een afbeelding ontstaat intuïtiever en is na het tekenen af. Maar met schrijven kun je dieper gaan.”

Poe

Je schildersoog is zichtbaar in observaties als: “de kleine branding in het glas van de wasmachine” of “een landschap dat als een frisse salade voorbijschuift”.
“Die zinnen komen uit mijn dagboeken en zijn vrij gedachteloos opgeschreven, meer als registraties. Bij fictie komt ook een fantasie-element kijken. Als kind kon ik me moeiteloos gezichten voorstellen van mensen die niet bestonden, en daar weefde ik dan allerlei liefst wat macabere verhalen omheen – verhalen die ik ’s avonds aan mijn zusje en broertje in bed vertelde en die soms zó eng werden dat we huilend naar de woonkamer holden.”

Waar komt die hang naar het macabere vandaan?
“Geen idee. Ik weet alleen dat ik me in die tijd tot in detail kon voorstellen wat er allemaal mis kon gaan met ons gezin en de mensheid. Ik was veel aan het bidden en kroop op blote knieën over de harde loper in de gang in een poging het onheil af te wenden. Misschien dat de griezelverhalen van Edgar Allan Poe daarom zo’n indruk op me maakten. Ze beangstigden me hevig, maar ik wilde ze daarom juist graag lezen.”

Ze pauzeert even. “Ik ben getroffen door corona, en toen moest ik vaak denken aan Poe’s verhaal ‘The Masque of the Red Death’, waarin rijke mensen zich tijdens een epidemie terugtrekken in een kasteel, denkend de dood daarmee te slim af te zijn, maar hem dan zonder het te weten zélf binnenhalen. Het was een bizarre tijd, vorig jaar. Mijn partner Roel en ik liepen de corona op tijdens de eerste golf, wellicht door een lezing in het Brabantse Udenhout. De boekhandelaar gaf me per ongeluk een hand. ‘O jee!’, riepen we nog lachend. Er kwamen ook mensen dichtbij om een boek te laten signeren. Zes dagen later werd ik ziek. Roel volgde een paar uur later en heeft acht dagen aan de zuurstof gelegen. Toen Roel hier ziek op de bank lag, reed ik in zeven minuten van de Ceintuurbaan naar een adres in Amsterdam-Noord, zó uitgestorven waren de wegen. Ik keek nachtenlang naar de BBC voor het laatste nieuws. We waren dolblij toen we gevaccineerd waren.”

Schok

Toen je een jaar of zeventien was, huurde je moeder een kamer voor je schilderspullen bij een Haagse mevrouw Bordewijk. Was zij familie van de schrijver?
“Er werd in de straat verteld dat ze een nicht was. Als je in lotsbestemming gelooft, krijgt zoiets betekenis en als je dat niet doet, is het toeval, maar als schrijver geniet je van dat soort toevalligheden. Net zoals ik het aardig vind dat ik op dezelfde dag als Louis Couperus jarig ben. Wie weet heeft die gezaghebbende naam Bordewijk me indirect beïnvloed, daar in dat kamertje. Misschien is hij er zelfs op bezoek geweest. Ik vind dat een leuke gedachte.”

“Hetzelfde had ik toen Paul Scheffer, wiens grootvader de eerste bewoner van dit huis was, me vertelde dat Thomas Mann tijdens een bezoek aan Amsterdam eens logeerde in wat nu mijn werkkamer is. Als iemand mij vraagt een paar grote auteurs te noemen, dan zitten Mann, Bordewijk en Couperus daar wel bij. En natuurlijk de door mij bewonderde Emily Brontë; er zal honderd jaar zitten tussen haar Woeste hoogten en Bordewijks verhaal ‘De aktentas’, maar voor mij zijn ze verbonden door hun magische elementen en licht macabere toon.”

‘De aktentas’ is je keuzetekst.
“Ja. Ik kwam het verhaal [uit 1958; zie het kader hieronder] pas zestien jaar geleden tegen in een verhalenbloemlezing van Joost Zwagerman. Het veroorzaakte een schok. Nooit eerder zag ik zo’n beschrijving van de dood, geschreven vanuit het perspectief van het slachtoffer zélf. De toon heeft in het begin nog iets humoristisch, wanneer de hoofdpersoon kritiek levert op de krant met die zogenoemde ‘ongevallenkolom’. Je komt te weten dat hij een ambtenaar is die in de avonduren doorwerkt en hoe in de aktentas de daarvoor benodigde documenten zitten. Dan is er een minutieuze beschrijving van het traject naar huis, de paden, wegen en kruisingen, de rails en bomen die het zicht verhinderen. Heel sec, heel gedetailleerd en geen moment vervelend. Als het noodlot toeslaat, heb je dat als lezer in eerste instantie helemaal niet door. Je ziet hem lopen, die kronkeling maken, een hekje doorgaan en onthecht naar de gebeurtenissen op straat kijken. Pas achteraf realiseer je je dat hij al die dingen onmogelijk tegelijk heeft kunnen zien. En als die aktentas ineens gewichtsloos is, realiseer je je dat hij dood moet zijn.”

(Tekst loopt door onder het kader)

Keuzetekst: Bordewijks ‘De aktentas’

F. Bordewijk schreef het verhaal ‘De aktentas’, de keuzetekst van Mensje van Keulen, in 1958. Een fragment eruit:  

Hij zag hoe er koortsachtig werd gevraagd, hoe de latere kijkers op de tenen gingen staan, hoe alles meer en meer samenpakte; hij merkte het voordeel op van de grote gestalten, hij zag autobussen die langzaam gingen rijden en waarin de hoofdenrijen langs de ruiten zich plotseling naar hetzelfde punt wendden en de halzen draaiden tot de grens van hun mogelijkheid. Door de straat waar hij stond gleed inmiddels ook een tram aan, en toen deze zijn s-lijn over de laan met het ongeluk volgde zag hij alle passagiers van de zetels dezerzijds als op commando oprijzen, en zich storten naar de ramen aan de andere kant alsof het voertuig een volle plezierboot was in ruw weer.

Helemaal niet denkend aan de ongelukkige die daar ongetwijfeld onder de baanschuiver moest liggen, keek meneer Kars toe met een lichte geamuseerdheid, langzaam opgekomen en volstrekt niet bij zijn karakter passend. Toen gierde ergens de alarmsirene van de politie. Meneer Kars ving nog een glimp op van het tentwagentje, maar door de mensenmenigte werd het verdere aan zijn oog onttrokken en hij vervolgde rustig zijn weg naar huis. Straks zou hij iets aan zijn vrouw te vertellen hebben, vanavond iets meer door de radio vernemen en morgenochtend het verslag lezen in het dagblad. Overigens, het waren thans nauwelijks verslagen, want naarmate de ongevallen in aantal groeiden, nam hun stuksgewijze vermelding in omvang af. De moppenkolom van het vroegere weekblad was vervangen door de ongevallenkolom van het huidige dagblad, en het drukbeeld was hetzelfde gebleven.

 

Bondig

Wat grijpt je zo aan in deze tekst?
“Als een boek slecht geschreven is, haak ik graag af. Oftewel: inhoud, vorm en woordkeus (taal) maken het geheel. Bij ‘De aktentas’ was er de herkenning, maar ook de ontdekking hoezeer dit verhaal hetzelfde terrein bespeelt als dat van Poe. Dat het me zo aangrijpt, komt door de bondige, je het verhaal in zuigende wijze waarop het is verteld. Het Nederlands kent zó veel prachtige woorden. In het fragment alleen al zijn dat commando, morgenochtend, ruw (slechts drie letters die gelijk op je zintuigen inwerken). Het mooie en ook al wat lugubere zit onder andere in de zin ‘Door de straat waar hij stond gleed inmiddels ook een tram aan.’ Een tram die aanglijdt … Dat is beeldende taal.”

“Het kan niet anders of Bordewijk moet een vorm van doodsangst gevoeld hebben tijdens het schrijven. Het wordt Poe-achtig macaber wanneer de hoofdpersoon bij thuiskomst beseft dat hij de huisdeur niet hoeft te openen om binnen te komen en zijn vrouw en kinderen dwars door de muur het telefoontje van de verkeerspolitie ziet krijgen. Ik houd veel van het genre, maar ‘De aktentas’ confronteerde me ook nog met die grote angst, namelijk het moeten achterlaten van je dierbaren. Goddank heb ik maar één zoon en één kleinkind, dacht ik toen ik het verhaal herlas. Ik verzet me tegen dingen die ophouden, ik wil geen afstand nemen van wat me dierbaar is. Ik zei net voor dit gesprek tegen Roel: ‘Nu ik vijfenzeventig ben en ik mijn moeder en háár moeder en zussen heb overleefd, moet ik het zo ook maar over de dood hebben.’”

Associaties

Is schrijven een vuist tegen de dood?
“Bij Olifanten op een web (1997) heb ik dat zeker zo ervaren. Ik voer de Dood daarin op als personage die tijdens de rouwplechtigheid becommentarieert wat er gezegd wordt, en besluit het boek met de sneer dat hij zelf niks kan: hij kan bijvoorbeeld niet dansen of zingen, geen speculaas bakken. Het enige wat hij kan, is dierbaren wegmaaien.”

“Toen ik het bericht over de dood van mijn moeder ontving, zwoer ik over haar te schrijven. Maar wat wist ik nog van die tijd? Toen ik eenmaal begon, kwam alles terug, heel associatief, alles raakte aan alles. Het was alsof het geheugen telkens een kleine klauw uitsloeg die het volgende beeld naar zich toe trok. Als ik niet was gaan schrijven, was dat nooit gebeurd.”

“Dat ik het einde van het boek had gehaald en mijn moeder de eer had gegeven die haar toekwam, voelde als een triomf. Ze had zoveel talent, voerde altijd toneelstukjes op en zong zelfbedachte liedjes tijdens het strijken, maar heeft nooit de kans gekregen dat verder te ontwikkelen doordat ze op haar twaalfde in de huishouding moest gaan werken. Ze sprak ook als enige van haar gezin ABN, omdat ze bij een gegoede familie in dienst kwam. Mijn moeders familie sprak plat Haags, iets waar ik me voor schaamde als ik vriendinnen mee naar huis nam. Ik weet zeker dat ze dat kamertje bij mevrouw Bordewijk huurde om mij wél die kans te geven. Het tegenovergestelde van jaloezie, die moeders óók jegens hun dochters kunnen voelen.”

Hoe kijk je terug op een halve eeuw schrijven?
Glimlachend: “Ik zat deze zomer met Gerard Stigter [de schrijver K. Schippers, die in augustus overleed – MB] in de taxi na een optreden in De Taalstaat, en toen bleek dat ons allebei soms de gedachte bekroop dat het allemaal maar onzin is wat we deden.”

Twee gelauwerde auteurs en hun onzekerheid.
“Ja …! Maar het is goed, denk ik weleens, dat je niet al te overtuigd bent van jezelf. Soms kan ik echt met verbazing terugkijken op mijn werk: heb ik dat écht allemaal gemaakt? Hoe is het mógelijk! Omdat ik me, naast het plezier, ook nog zo enorm goed het geploeter herinner, de doorwaakte nachten.”

Mensje van Keulen

Mensje van Keulen (Den Haag, 1946) debuteerde in 1972 met de inmiddels klassieke roman Bleekers zomer. Sindsdien schreef ze romans, verhalen, gedichten, kronieken, dagboeken en jeugdboeken, vielen haar nominaties op long- en shortlists te beurt, en ontving ze voor haar oeuvre de Annie Romeinprijs, de Charlotte Köhlerprijs en de Constantijn Huygensprijs. Met haar verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen (2020) won ze de J.M.A. Biesheuvelprijs. Dit jaar viert ze haar vijftigjarig schrijverschap.

 



 

Alsjeblieft, dit artikel kreeg je cadeau!

 

Dit artikel uit het septembernummer (2021) van Onze Taal werd je gratis aangeboden door de redactie van het tijdschrift. 
Nooit meer iets missen? Word lid van Onze Taal!