“Hoe past een reuzevoet in ’t schoentje van een naan?”, zo luidt een dichtregel uit Constantijn Huygens' lange gedicht ’t Kostelick Mal (‘de dure dwaasheid’) uit 1622. Dat naan was indertijd een gangbaar woord voor ‘dwerg’. Het kwam al in de Middeleeuwen in het Nederlands voor, en behalve voor kleine mensen werd het ook wel gebruikt voor bomen die door snoeien laag bij de grond werden gehouden (zoals appel- en perenbomen), en voor dwergvormen bij dieren (naantjes-kabeljauw). Het woord was afgeleid van het Franse nain, dat in die taal nog steeds gebruikt wordt. De Fransen hadden het overgenomen uit het Latijn (nanus), en het Latijn weer uit het Grieks (nanos). Ook dat Griekse woord betekende al ‘dwerg’.

Het woord naan is allang uit het Nederlands verdwenen, maar in de twintigste eeuw beleefde het een soort wederopstanding, toen wetenschappers het van het Latijnse nanus afgeleide nano- gingen gebruiken. De betekenis van dit voorvoegsel is ‘een miljardste deel van’ (een nanoseconde is een miljardste seconde). En later ging nano- ook nog ‘superklein’ betekenen, in woorden als nanotechnologie en nanobacterie – waarmee de verdwenen naan in zekere zin toch weer in het Nederlands is teruggekeerd.

• Raymond Noë

Eerder gepubliceerd in de Onze Taal Taalkalender 2016. De Taalkalender 2017 is hier te bestellen.