Het Tweede Kamerlid Eddy van Hijum (CDA) zocht gisteren het nieuws met Kamervragen over de erkenning van het Nedersaksisch. Die groep dialecten uit Groningen, Drenthe, Overijssel, de Achterhoek en een klein stukje van Friesland heeft ooit van de Nederlandse overheid een nogal gratuite erkenning gekregen: Nederland erkent dat het Nedersaksisch een 'streektaal' is, zonder dat daar geld tegenover staat. Van Hijum wil nu dat er een stevigere erkenning komt, mét geld.

Uit zijn eigen persbericht en interviews die hij gisteren gaf, blijkt echter dat Van Hijum niet begrijpt hoe de verdragen waarop hij zich beroept in elkaar zitten. Wat hij wil, kan helemaal niet.

"Een verzoek om in Brussel om een hogere status van de taal te vragen ligt", volgens het persbericht, "al twee jaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken." Er valt in dezen echter niets aan 'Brussel' te vragen. Het Europees Handvest voor Minderheidstalen, dat Nederland begin jaren negentig heeft getekend, zegt dat ieder land zelf mag bepalen welke talen er wel of niet erkend worden. (Het onderscheid tussen 'hogere' en 'lagere' erkenning wordt zelfs alleen in Nederland gemaakt en kent men elders helemaal niet.)

Het verschil is niet onschuldig: Van Hijum verwacht blijkens een aantal interviews dat Brussel bij hogere erkenning ook met geld over de brug zal komen, maar ook dat is nergens op gebaseerd: Nederland zal zelf moeten betalen. (Het ligt voor de hand dat de provincie Limburg bij een succesvolle ophoging van de status van het Nedersaksisch ook zal vragen om verhoging van de status van het Limburgs. Er zullen weinig redenen zijn om dat verzoek dan af te wijzen, want de situatie in de twee gebieden lijkt veel op elkaar. Dus de kosten voor de overheid zullen op termijn nog hoger zijn. Nu al heeft men moeite de verplichtingen voor het Fries na te komen.)

Verder is er een groot obstakel voor 'hogere' erkenning door de Nederlandse overheid. Ongeveer tien jaar geleden heeft die overheid toegezegd dat ze erkenningsaanvragen altijd voor advies aan de Nederlandse Taalunie zou voorleggen. Dat (overheids)orgaan heeft bij de enige adviesvraag die zich sindsdien heeft voorgedaan – over een 'lagere' erkenning van het Zeeuws – negatief geadviseerd en heeft toen bovendien gezegd dat het de eerdere lagere erkenning van het Limburgs en het Nedersaksisch afkeurde. Er is weinig reden om te denken dat de Taalunie daar nu anders over denkt.

Kortom, de Nederlandse overheid moet zelf beslissen en zelf betalen, en die overheid wil dat hoogstwaarschijnlijk niet. Zelfs als je denkt dat zo'n officiële erkenning nuttig is (er is geen enkel voorbeeld van een streektaal die gered werd doordat de overheid hem officieel erkende), is Van Hijums initiatief zinloos.


Marc van Oostendorp