Remco Campert kreeg op 8 oktober de Prijs der Nederlandse Letteren uitgereikt. Die prijs was voor het onvolprezen tijdschrift De Parelduiker aanleiding om een dubbelnummer van maar liefst 180 bladzijden aan hem te wijden. Daarin is er aandacht voor zijn debuut en zijn vertaalwerk en zijn radiojaren, voor Lucebert en voor jazz – en zelfs voor de filmrol die hij ooit speelde – maar alleen zijdelings voor zijn taal. Terwijl daar toch ook wel het een en ander over te zeggen valt.
Maar voordat je er iets over zegt, moet je vaststellen dat er eigenlijk twee Camperts zijn: de schrijver en de dichter, die twee gescheiden oeuvres hebben, maar die toch altijd met elkaar meeschrijven - met schrijverspoëzie en dichtersproza als resultaat.

Proza
Op het eerste gezicht is Camperts proza niet speciaal opvallend – zijn stijl is niet barok of archaïsch of geconstrueerd. Integendeel: als iets zijn stijl kenmerkt, is het dat die ongecompliceerd en onbekommerd is. Zoals op een van de eerste bladzijden van zijn eerste verhalenbundel Alle dagen feest:

Snoekie had vier poezen. Hij woonde aan de rand van de stad in een bijna dorps aandoende wijk. Achter zijn huis was een vuilnisbelt en daarachter verwaarloosde weilanden. Het was halfzeven, zaterdagavond. De poezen zaten op een grote tafel, geflankeerd door flessen drank en glazen.

En datzelfde terloopse naturel zit ook in zijn dialogen:

‘Drie jaar is hij weg,’ zei ze. ‘Ik ben niet van het Leger des Heils. Zoveel liefde bezit ik niet. Hij kan maar beter niet komen.’
‘Maar is hij toch niet voor zijn plezier weggeweest?’
‘Drie jaar is te lang.’
‘Dat was het voor hem ook.’
‘Het water kookt.’
(Ook uit Alle dagen feest.)

Spelling
Dat natuurlijke en spreektalige benadrukte hij in drie van zijn boeken – Het leven is vurrukkulluk, Liefdes schijnbewegingen en Tjeempie! – nog door in de dialogen fonetische spelling voor allerlei woorden te gebruiken. Vurrukkulluk (“Dat klinkt lekker vettig en rond”, aldus Campert zelf) is het bekendste voorbeeld, maar er zijn er veel meer, zoals giegullun (‘giechelen’), prussies (‘precies’) en variejeeteeteater (‘variététheater’) – en Campert ging zelfs even zó ver dat hij zichzelf Remko Kampurt doopte. Hij deed dat overigens allemaal niet omdat hij voor de in de jaren zestig veelvuldig gepropageerde spellingvereenvoudiging was – “De angst bestond toen dat onze boeken [door die versimpelde spelling] snel onleesbaar zouden worden”, zei hij daar later over. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij tot zijn ‘vurrukkulluk’-spelling geïnspireerd was door de Franse schrijver Raymond Queneau, die in sommige van zijn boeken ditzelfde procedé had toegepast. En Queneau deed dat dan weer om aan te geven hoezeer de uitspraak van het Frans van de straat verschilde van de officiële spelling ervan.

Bramsbroerjaap
Maar wie verder kijkt dan de op het oog zo alledaagse taal, ziet dat Campert ook met de taal speelt en die kneedt zoals sommige woordspelige dichters dat doen. Hij verhaspelt metaforen (“Lex Etten bloedde liever zonder er doekjes om te winden”), geeft woorden een andere vormgeving – seniel wordt sunnyle, au fond wordt ohfon – of hij vervormt ze, zoals in gommelmorgen en tot zoens. Hij verzint nieuwe werkwoorden: “‘Ach, op een oude fiets moet je het leren,’ vélozoveerde de juffrouw”, en gebruikt vaak wat melige erotische eufemismen: inTjeempie! zoekt huisknecht James tevergeefs “een plekje voor zijn plumo” in Liesjes “stofdoekenmandje”, waarna hij dan maar “met zijn gieter het vetplantje van het meisje-voor-dag-en-nacht besproejde”. Bovendien lijkt hij er veel plezier in te hebben om rare en soms karakteriserende namen voor zijn personages te verzinnen: Bramsbroerjaap, Somberman, Praatgraag, Schreeuw Wanhoop, Bril & Rok, en de alom bekende drs. Mallebrootje. Zo buiten de context ziet het er misschien wat oubollig uit, maar in zijn werk werkt het.

Poëzie
Terwijl het proza de speelse ingrepen van de dichter laat zien, is het in Camperts poëzie dan vaak weer andersom: daar komt het alledaagse, het prozaïsche en het spreektalige zijn gedichten binnen. Hij formuleert zijn gedachten als terloops, zoals in het gedicht ‘Gemompel’:

Hoe duidelijker ik ’t wil zeggen
hoe slechter ik uit mijn woorden kom
dit lijkt me een typisch verschijnsel
van het een of ander

Lyrisch wordt Campert in zijn poëzie eigenlijk nooit, en met klassieke versvormen en rijm heeft hij ook niet veel op. Het gaat allemaal in parlando, op spreektoon, in de taal die hij in het dagelijks leven ook spreekt. Of zoals hij het verwoordt in zijn gedicht ‘Poëzie’: “Woorden schrijven / als sneeuw die valt op alle daken”. In een interview zei hij ooit dat het met zijn taal en zijn stijl eigenlijk allemaal vanzelf gaat: “Ik theoretiseer heel moeilijk over dit soort dingen. Ik plons er altijd in. Niet dat ik reddeloos lig te spartelen overigens.”

Zoop en naaide
Camperts spreektaligheid heeft in 1964 nog tot een rel geleid toen zijn gedicht over de meidagen van 1945, toen Nederland net bevrijd was, van de AVRO-directie niet op de televisie voorgelezen mocht worden vanwege de regels “Alles zoop en naaide / heel Europa was één groot matras”. Het liep uiteindelijk met een sisser af: het gedicht werd na veel discussie alsnog voorgelezen.
Campert weet zijn terloops geformuleerde overdenkingen zó te verwoorden dat ze veel mensen aanspreken, getuige de vele aforistische uitspraken van hem die zijn opgenomen in citatenbloemlezingen, zoals ‘Poëzie is een daad van bevestiging’ en ‘Verzet begint niet met grote woorden maar met kleine daden’. De jury van de Prijs der Nederlandse Letteren noemde het “diepzinnigheid die aan de oppervlakte ligt”.

Vorige week verscheen Camperts (tot nu toe) laatste bundel Verloop van jaren. In het laatste gedicht hieruit overdenkt hij hoe het zal zijn om te sterven, en in de laatste regels staat hij ten slotte nog even stil bij zijn werk.

En mijn woorden?
De wind zal ze meevoeren
en over de aarde verspreiden.

 


Remco Campert in de taal

Camperts bekendste toevoeging aan het Nederlands is ongetwijfeld vurrukkulluk (een soort vergrotende trap van verrukkelijk). Het staat niet in de grote Van Dale, misschien omdat het slechts als een spellingvariant wordt gezien. Wél in het woordenboek staan eetlezen (‘lezen tijdens het eten’) en gangstermeisje (‘jonge vrouw die veelvuldig in kringen van criminelen verkeert en zich al dan niet ook zelf schuldig maakt aan strafbare feiten’).

In het Van Dale-kadertekstje over de contradictio in terminis wordt Camperts versregel “Luister goed naar wat ik verzwijg” als voorbeeld opgevoerd, en verder worden citaten uit het werk van Campert 18 keer gebruikt om de betekenis van een woord te verduidelijken:

Aanslag «Elk woord dat wordt geschreven / is een aanslag op de ouderdom.»
Aanwippen «Dat doe je eigenlijk niet meer, onaangekondigd bij vrienden aanwippen.»
Armoede «Armoede ketent je aan alles wat je niet hebt.»
Bevestiging «Poëzie is een daad van bevestiging.»
Bitterzoet «De bitterzoete slaap der herinnering.»
Familie «Kiespijn behoort tot de familie van de hele erge pijnen.»
Geheim «Het geheim van de smid schuilt in de smidse die is overgegaan van vader op zoon.»
Kennen «Ik ken mezelf het best en schrijf over wat ik het beste ken.»
Kiespijn «Kiespijn behoort tot de familie van de hele erge pijnen.»
Kluitje «Soms zou je willen dat Nederland groter was, zodat we wat minder op een nat kluitje bij elkaar zouden zitten.»
Meelopen «In een demonstratie loop je niet, je loopt mee.»
Mode «Zelfmoord en helden zijn uit de mode.»
Naaien «Alles zoop en naaide, heel Europa was een groot matras en de hemel het plafond van een derderangshotel.»
Pad «Het is een lang pad naar de dood die vlakbij is.»
Scheiden «Trouwen en scheiden hebben gemeen dat rijp beraad de kans sterk vermindert dat je tot een van beide handelingen overgaat.»
Swingen «De wereld swingt als de pest.»
Zin «De zin van het leven is de zin om te leven.»
Zwijnen «Je kunt wel je leven lang elegant / er doorheen zwijnen / maar eens gebeurt het toch / die afrekening met anderen / en die met jezelf.»

Op de website Citaten.net zijn 46 citaten van hem opgenomen (al zit er minstens één van zijn vader Jan Campert bij), zoals “We houden zoveel van het leven dat we alleen nog aan de dood kunnen denken”, “Mensen leer je nooit kennen, jezelf niet eens, laat staan anderen” en “Als je niet uitkijkt, blijf je je je leven lang voorbereiden”.

Nog meer aforismen hier.

Bij het schrijven van dit blog is gebruikgemaakt van Remco Campert: al die dromen al die jaren.

Raymond Noë