Column van Ronald Snijders in ons themanummer over de negentiende eeuw. 

Columnisten hadden het moeilijk in de negentiende eeuw. Ze konden amper rondkomen. Er was nog geen Onze Taal waar ze voor konden schrijven, je had nog geen radio, geen televisie, je had niks. Ja, je had De Telegraaf. Geen Volkskrant nog, geen Stijl. De Stijl verscheen pas in 1917 als tijdschrift. Kortom, het was sappelen.

Wat je wel al had, was onze taal, het Nederlands. Dat sprak men de hele dag door. En daar zat geen woord Spaans bij. Behalve misschien basta, maar dat was genoeg.

Heel veel nu nog steeds gangbare woorden waren er al. Zoals droeftoeter en mafkees, voor als iemand ineens veel te hard langsfietste. De fiets zelf en ook het woord fiets werden bedacht. Eerst was er het ding, begin negentiende eeuw. Toen riepen mensen: ‘Kijk, ik zit op een ding!’ En dan vroeg men: ‘Wat is het dan, een auto?’ ‘Nee, nog niet. Nee, dit is een eh … ding.’ Pas in 1870 kwam men erachter dat het een fiets was, waarop ze fietsten. Daarvóór hadden ze dus geen idee wat ze aan het doen waren.      

Typisch negentiende-eeuwse uitdrukkingen waren: ‘Dat is zó 1798’ als iets niet heel erg hip was. Hip als woord bestond ook nog niet, alles was nog ‘trendy’. ‘Pointillisme is hartstikke trendy’, zeiden de Jasper Krabbés van die tijd, als ernaar werd gevraagd door de presentatieduo’s van toen, maar die zaten ook vaak nog zonder werk. Werken dat deed je in de ‘fabri’, een toen gangbare afkorting voor fabriek. Mensen zaten in de ‘industriële revo’, oude straattaal voor de toenmalige revolutie.

In de negentiende eeuw werden ook de eerste foto’s gemaakt waarop mensen Nederlands spraken. Voor die foto’s gold: je stond op de foto, of je stond niet op de foto, het was allemaal nog heel zwart-wit.

Als je in de negentiende eeuw je leven als een film aan je voorbij zag trekken, behoorde je tot de happy few die al een film hadden gezien. Dat gebeurde voor het eerst pas in 1896 in Nederland, maar films waren toen allemaal heel stom. Film zei mensen niks. Je zweeg als de film, in die tijd. Freudiaanse versprekingen bestonden ook nog niet, het waren gewoon versprekingen; je lulde in je moedertaal, wist jij veel.

De eerste die met een half oor naar iemand luisterde, was Vincent van Gogh in 1888. Mensen luisterden sowieso slecht. Pas in de twintigste eeuw had je mensen die een en al oor waren. En met ogen in hun rug. Maar dat was tijdens het kubisme en het surrealisme, waarover volgende keer meer.

Ronald Snijders


Steun Onze Taal

Deze column uit het juninummer van Onze Taal bieden we u gratis aan.

Lidmaatschap
Is taal ook voor u belangrijk? Overweeg dan lid te worden van Onze Taal. Daarmee ontvangt u niet alleen tienmaal per jaar ons tijdschrift, maar u helpt ons ook om plezier in en informatie over taal verder te verspreiden.