Door: Ludo Permentier

Crisis, dus tijd voor crisiscommunicatie. De Belgische minister van Volksgezondheid, Maggie De Block, opgeleid tot huisarts, laat tijdens een parlementaire vergadering over het coronavirus COVID-19 haar medische jargon zitten waar het zit en spreekt de taal die iedereen verstaat: “Als u ziek bent, denk niet: ik ga toch mijn moeder of mijn oma bezoeken. Blijf in uw kot.” En ze voegt eraan toe: “Smijt ze buiten als ge ene ziet met ne snotneus!” Een minister die zich niet verschuilt achter vocabulairemuurtjes of diplomatieke geheimtaal, dat is een verademing.

Toch heeft ze veel kritiek gekregen op haar taalgebruik. “Wij zitten niet in een kot!”, werd er gemopperd. Vooral op Twitter, de riool waarlangs de ‘vrije meningsuiting’ zó krachtig kolkend wegstroomt dat weldenkende mensen intussen hebben besloten alleen nog meewarig het hoofd te schudden. Ik ben het niet eens met de kritiek op De Block, al ben ik de eerste om te verwachten dat politici zich genuanceerd en correct uitdrukken. Maar soms moet het anders.

Hoe erg is dat eigenlijk, van een ‘kot’ spreken als je een huis bedoelt? In Vlaanderen minder erg dan in de rest van ons taalgebied. Volgens Van Dale is een kot een klein, armoedig huis of een hok voor een dier. Het woord klinkt bijna altijd denigrerend. Maar het is wel heel oud: het bestond al in het Oudnederlands rond het jaar 1000. En het is ook een exportproduct. Naar Frankrijk, waar het inmiddels verdwenen woord cot sloeg op een hut, en via Normandië naar Engelands befaamde cottages. Naar Nederland hebben we dan weer het frietkot en het studentenkot geëxporteerd.

Maar België, moet ik toegeven, is het land van de ‘koterij’. Letterlijk, want achter bijna elk rijhuis zijn in de loop van de jaren ‘bezemkoten’, ‘waskoten’, ‘werkkoten’, ‘fietskoten’ en ‘rommelkoten’ bijgebouwd. Maar ook figuurlijk: onze staatsstructuur en wetgeving zijn gammele resultaten van ad-hocoplossingen die achteraf weer gecorrigeerd moesten worden. De ‘fiscale koterij’ is een lucratief werkterrein voor accountants en advocaten.

Daarnaast hebben we in Vlaanderen sprekende uitdrukkingen als het kot is te klein (‘er wordt driftig gereageerd’), het kot afbreken (‘enthousiast tekeergaan op een feest of bij een optreden’) en iemand uit zijn kot lokken (‘iemand uitdagen’).

Kortom: als minister De Block haar landgenoten in hun kot wil opsluiten zolang corona rondwaart, dan is dat wel de plaats waar ze zich thuis zullen voelen.


Steun Onze Taal

Deze column uit het meinummer van Onze Taal bieden we u gratis aan. Interessant? Overweeg dan lid te worden van Onze Taal.

Daarmee ontvangt u niet alleen tienmaal per jaar ons tijdschrift, maar u helpt ons ook om plezier in en informatie over taal verder te verspreiden.