Open menu Onze Taal logo

Hoofdmenu

  • Taalloket
  • Tijdschrift
  • Educatie
  • Schatkamer
  • Winkel
  • Trainingen
  • Over ons
  • Zoeken
  • Inloggen
  • Lid worden
  • Doneren
  • Taalloket
  • Tijdschrift
  • Educatie
  • Schatkamer
  • Winkel
  • Over Onze Taal
  • Inloggen
  • Lid worden
  • Doneren
  1. Home
  2. Tijdschrift
  3. 06 2026

Vergeet ons niet. Over de waarde van het woord ‘genocide’

In de jaren veertig bedacht een Joods-Poolse jurist een woord om de misdaad der misdaden te omschrijven: 'genocide'. Het moest de weg vrijmaken om de plegers ervan te vervolgen en te berechten. Wat is de kracht van dit woord tachtig jaar later? Simon Vera verkent deze vraag in het prijswinnende essay van de Elise Mathilde-prijs 2026.

Simon Vera
Vergeet ons niet. Over de waarde van het woord ‘genocide’

Onder in een Ethiopische vallei kabbelde een beekje vreedzaam. Ik zat op het gras. De zon scheen zacht, het gras glinsterde onder oktoberdauw. Twee jongens ontfermden zich over een kleine kudde koeien bij het water, om ons heen stonden knoestige jeneverbesbomen en stekelige acacia’s.

Het was een van de eerste reizen die ik als journalist maakte, twee jaar geleden. Als ik terugdenk aan dat ene moment, komt het woord idyllisch bij me op. Behalve dat ik in een conflictgebied was, en naast mij Asres Mare zat, de tweede man van rebellengroep Fano. Onder een groepje bomen, zo’n vijftig meter van ons vandaan, stond zijn bewaking: norse soldaten – het type dat praat in enkele lettergrepen, maar wel lolly’s uitdeelt aan spelende kinderen – met een machinegeweer over hun schouder geslagen.

En waar Asres het over had, was verre van idyllisch. “Simon,” begon hij zijn relaas, “wij Amharen zijn het slachtoffer van genocide. We worden onderdrukt en uitgemoord.”

Ergens halverwege zijn verhaal kwam een van de bewakers naar ons toe gelopen. Hij fluisterde iets in het oor van de rebellenleider. Een droneaanval, meldde Asres zakelijk. De zoveelste. De raket was ingeslagen op het marktplein van een dorpje in de buurt. We handelden het interview snel af, sprongen in de oude jeep die de rebellen buit hadden gemaakt op het Ethiopische leger, en reden er zo snel als de hobbelige zandwegen toelieten naartoe.

Tot die reis naar Ethiopië was genocide voor mij slechts een term uitgedrukt in cijfers; zes miljoen Joden, een half miljoen Rwandese Tutsi’s, achtduizend Bosniakken in Srebrenica. Maar toen ik dat dorp binnenliep, daagde het me dat genocide veel meer dan een woord is voor de mensen die het ervaren.

Genocide is een aangebrande pan op een uitgedoofd fornuis, tranen in de modder. Het is de angst dat je gemeenschap verdwijnt, dat niemand luistert als je om hulp roept. Ik bracht een week door in deze valleien. Iedereen die ik sprak drukte me op het hart, smeekte soms: laat de wereld weten wat hier gebeurt. Vertel over ons. Alsof zichtbaar blijven op zichzelf al een vorm van overleven is.

Ze herhaalden dat ene woord, keer op keer.

Genocide.

De rouwende moeders in dat Ethiopische dorp geloven in de kracht van het woord om hun families te redden, of wat er nog van over is. Rebellenleider Asres Mare gaf zijn carrière als advocaat op en trok naar de Ethiopische hooglanden vanwege dit woord. Studenten, kantoormedewerkers en marktverkopers verruilden hun comfort voor kogels.

En niet alleen zij zijn ervan overtuigd dat het herhalen van dit woord hun redding kan betekenen. Op sociale media verschijnt de term in reels en reposts over Soedan, Palestina, Oekraïne, Myanmar, Jemen. Een hashtag stopt geen raket, maar kan wel voorkomen dat iemand stil verdwijnt.

De smeekbedes van deze miljoenen mensen begonnen tachtig jaar eerder bij een man met dezelfde hoop: Raphael Lemkin, een Joodse jurist uit Polen die geloofde dat geweld pas bestreden kon worden als het een naam had. In de jaren veertig verloor Lemkin negenenveertig van zijn familieleden door pogroms en vernietigingskampen. De toenmalige Britse premier Winston Churchill noemde die gruwelijkheden “een misdaad zonder naam”. Maar hoe kun je iets bestraffen wat geen naam heeft?

Lemkin was een groot deel van zijn leven al bezig met deze vraag. Hij vond het onbegrijpelijk dat het uitmoorden van een heel volk geen afzonderlijke misdaad was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog construeerde hij dan ook een nieuw woord dat de weg vrij moest maken om de uitvoerders te berechten van wat tot dan toe barbarisme werd genoemd. Hij bedacht de term in 1942, en zette het begrip twee jaar later voor het eerst uiteen in zijn boek Axis Rule in Occupied Europe. Het Griekse genos, voor ‘familie’ of ‘ras’, en het Latijnse cidere, ‘doden’. Samen: genocide.

Het werd zijn missie om ervoor te zorgen dat de rest van de wereld dit woord ook zou accepteren en genocide zou criminaliseren. In 1948 lukte dat: de net opgerichte Verenigde Naties namen het Genocideverdrag aan. Genocide werd een misdaad. Of preciezer gezegd: “Handelingen met de intentie om een nationale, etnische, raciale of religieuze groep, als zodanig, geheel of gedeeltelijk te vernietigen” werden een misdaad. De staten die het verdrag ondertekenden, verplichtten zichzelf om genocide te voorkomen en te bestraffen. Never again.

Na de goedkeuring van het verdrag troffen journalisten Lemkin aan in een donkere vergaderzaal, eenzaam, huilend. Hij was diep geraakt. Eindelijk gerechtigheid. Hij noemde het verdrag later “een grafschrift voor mijn moeder”.

Maar al snel bleek het Genocideverdrag Lemkins droom te hebben uitgewrongen tot een frankensteiniaans naaiwerk van nationale belangen, compromissen en politiek opportunisme. De Sovjet-Unie wilde het verdrag alleen onder tekenen als de vervolging van politieke groepen niet onder de definitie van genocide viel. De Verenigde Staten zorgden ervoor dat hun eigen beleid van rassensegregatie en gedwongen assimilatie niet onder het verdrag zou vallen, door de nadruk te leggen op fysiek geweld. Samen legden ze de lat voor bewijs van genocide hoog. Zó hoog dat het feit vaak voltrokken is voor er genoeg bewijs is verzameld.

Dat was niet wat Lemkin voor ogen had. Voor hem begon genocide veel eerder: bij de langzame afbraak van taal, cultuur en gemeenschap. Een volk verdwijnt niet pas wanneer de kogels vliegen, maar ook wanneer scholen gedwongen sluiten, je omgeving haar oorspronkelijke namen verliest, kinderen hun eigen geschiedenis vergeten. Een volk verdwijnt niet alleen door grootschalig fysiek geweld, maar ook wanneer het zichzelf niet meer mag herinneren. Juist die culturele vernietiging verdween uit het Genocideverdrag.

Maar toch. De misdaad zonder naam was eindelijk benoemd. Tijdens het Proces van Neurenberg, waarin de kopstukken van het Duitse naziregime berecht werden, adviseerde Lemkin hoofdaanklager Robert Jackson. Het VN-verdrag was op dat moment nog niet ondertekend, maar Lemkins gedachtegoed beïnvloedde wel degelijk de bestraffing van de Holocaustplegers. Voor het eerst werden de daders van volkerenmoord berecht voor hun daden als zodanig.

Maar na Neurenberg kwam Cambodja. Na Cambodja kwamen Rwanda en Joegoslavië. In Rwanda en Srebrenica waren VN-soldaten nota bene aanwezig toen het moorden begon. Ze grepen niet in. Ze vluchtten. Terwijl de massamoord in Rwanda bezig was, weigerden de Verenigde Staten die genocide te noemen. Ze wilden niet ingrijpen, want het viel niet onder de “precieze wettelijke betekenis” van genocide, aldus een overheidswoordvoerder in 1994. Ja, een paar van de daders werden later berecht. Maar ook daarna: Congo, Darfur, Myanmar. Het kwaad was benoemd, de daders berecht, maar het moorden ging door.

Het moment dat genocide benoemd wordt, is dus slechts het juridische eindstation van een lange, bloedige reeks gebeurtenissen. Toen een commissie van de Verenigde Naties in 2025 officieel verklaarde dat Israël genocide pleegde in Gaza, was 90 procent van de Palestijnen in dat gebied al ontheemd, hun levens gereduceerd tot hongersnood en hopen kapotgeschoten beton.

Wellicht is het vertrouwen van de Ethiopische rebellen in het benoemen van genocide dus wel misplaatst, werkt het wachten op erkenning van volkerenmoord juist redding tegen. Vaak wordt datgene wat voorafgaat aan genocide – etnische zuivering, massamoord – gebagatelliseerd tot een binnenlands probleem, zonder enige morele dwang van andere landen om er iets aan te doen. De VS deden het met Rwanda, een groep Zuidoost-Aziatische landen met Myanmar, en de Nederlandse ‘rode lijn’ ten opzichte van Gaza werd afgelopen jaren continu verlegd.

Hoeveel mensen moeten sterven voor een woord mag worden uitgesproken? De rouwende ouders in het Ethiopische dorp vroegen mij niet of er voldaan was aan de juridische vereisten van het verdrag van 1948. Hun realiteit vertelde hun genoeg.

Door onze definitie van genocide als de misdaad der misdaden, het enige waartegen naties zichzelf verplichten op te staan, blijft de weg daarnaartoe vaak onbestraft. Tenzij een land geopolitieke waarde heeft – zie de Europese steun aan Oekraïne. Israël verdrijft Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever, Rusland bombardeert ziekenhuizen en scholen, Soedanese milities laten burgers verhongeren. Dezelfde discussie volgt: ernstig geweld, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Maar nog geen genocide. Wellicht volgen er sancties, of wordt het afgekeurd met ‘de strengst mogelijke bewoordingen’. Maar serieuze interventie vindt zelden plaats. Alsof morele plicht pas ontstaat wanneer dat ene woord eindelijk valt in de vergaderzalen van het parlement.

Om de waarde van het woord te zien, moeten we misschien eerst een stap terug. Volkeren die elkaar de verdoemenis in vechten, bestaan al heel lang. Toen mensen voor het eerst een schoffel pakten, omklemde de andere hand al snel een zwaard. Zo lang als we vechten, spreken we ook over rechtvaardige oorlogsvoering.

We hebben pas tachtig jaar een definitie voor volkerenmoord, met een bijbehorend juridisch kader. Dat is slechts een ogenblik voor het recht. Pas in 1998, vijftig jaar sinds het Genocideverdrag, werd de eerste persoon berecht voor genocide: de Rwandees Jean Paul Akayesu. We kunnen niet verwachten dat de wettelijke plooien dertig jaar later zo gladgestreken zijn dat een jong meisje in Ethiopië bij de uitspraak van de term onmiddellijk redding kan verwachten.

Het is een klein wonder te noemen dat we tachtig jaar na dato überhaupt resultaat zien. Zonder Lemkins strijd voor de erkenning van genocide zouden er wellicht geen Internationaal Gerechtshof en Internationaal Strafhof tussen de Haagse duinen staan, en waren de daders van volkerenmoord in Rwanda en Bosnië er niet bestraft. We zitten nog midden in het proces om onszelf te beschermen tegen de misdaad der misdaden.

Bovendien bestaat er geen woord dat zoveel angst inboezemt bij politici. In het progressiefste geval spreekt een minister van Buitenlandse Zaken aarzelend over ‘genocidale intenties’ – een politieke bochtenwringer die de verantwoordelijkheid om in te grijpen vermijdt, maar het electoraat wel toont dat het menselijk leed de betreffende politicus echt wel aangrijpt. Juist dat eindeloze dralen om het woord níét te zeggen laat zien wat de ware kracht ervan is. Israëlische leiders en Soedanese generaals moeten het er wel over hebben, al is het alleen maar om het te ontkennen.

De morele kracht van het woord genocide is zo groot geworden dat staten vechten om er slachtoffer van te mogen heten. Zowel de Palestijnen als de Israëliërs beweren slachtoffer te zijn van dezelfde misdaad, opdat de geschiedenis aan hun kant zal staan. De Russische president Vladimir Poetin gebruikte het zelfs als voorwendsel om Oekraïne binnen te vallen, en zo de Russische bevolking daar te ‘beschermen’, terwijl de Oekraïners Poetin juist beschuldigen van genocidale daden in het oosten van hun land. Het woord heeft dus een kracht, voor slachtoffer én dader.

Leidt die kracht ook tot onze redding?

Lemkin werd al snel vergeten. In 1959 kwamen maar zeven mensen naar zijn begrafenis. De man die zijn hele leven streed voor gerechtigheid om de gruwelijkste daden strafbaar te stellen en de uitvoerders ervan te berechten, leeft louter voort in studieboeken internationaal recht. Maar misschien ging Lemkins strijd niet om straf, maar wilde hij ook voorkomen dat de doden geruisloos verdwenen. Zijn negenenveertig familieleden. Zijn moeder.

Misschien mist een enkel woord de kracht om ons te redden. Misschien redt taal ook helemaal niet, komt het altijd te laat, achter het geweld aan. Maar redt het woord genocide geen levens, dan redt het de slachtoffers ervan wellicht van de vergetelheid. In 1621 vermoordden VOC-soldaten onder leiding van Jan Pieterszoon Coen duizenden mensen op het Indonesische eilandje Banda. Zouden we dat bloedbad hebben onthouden als het naderhand niet het predicaat genocide opgeplakt had gekregen?

Ik weet niet of een enkel woord de levens van een heel volk zal redden. Maar bij elke discussie over genocide denk ik terug aan die ochtend in Ethiopië. Ik denk terug aan een meisje van zestien, raketscherven in haar benen, verband om haar hoofd, dat met haar ene goede oog in mijn camera keek. De dag erna was ze dood. Het woord genocide kwam te laat om haar te redden, maar haar blik zal ik nooit vergeten. En als de Verenigde Naties het woord genocide durven uit te spreken om haar dood te omschrijven, vergeet de rest van de wereld haar misschien ook niet.

De winnende essayist Simon Vera

Simon Vera (1998) studeerde Afrikastudies aan de Universiteit Leiden en werkt sinds 2024 in de journalistiek: “Soms in Nederland, maar vooral in Oost-Afrika, waar ik als freelancer de verhalen achternareis die ik zelf belangrijk vind om te vertellen: over klimaatverandering, het milieu en mensenrechten. Soms doe ik dat wonend in één land, soms trek ik maandenlang rond met niets meer dan een tas vol kleren, mijn laptop en een camera. Daarnaast zit ik de meeste avonden aan mijn keukentafel verhalen te schrijven, een enkele keer over de echte wereld, maar vaker imaginair. Kortom, ik doe niet veel anders dan zitten en schrijven, en met wat geluk kan ik af en toe op avontuur in de naam van de journalistiek.”

De jury over het essay

De Elise Mathilde Essayprijs stond dit jaar in het teken van een grote vraag: “De wereld is in beweging, en niet altijd ten goede. Kan taal ons redden?” De vraag inspireerde 139 beginnende schrijvers om een essay in te sturen.

Na enkele leesrondes en een slotbijeenkomst viel de keuze van de jury uiteindelijk op het stuk ‘Vergeet ons niet’ van Simon Vera. De jury over het essay: “Simon Vera heeft het grote thema prachtig uitgewerkt aan de hand van één enkel woord. Persoonlijke ervaringen, historische context en een scherpe blik op het heden komen in dit essay op overtuigende wijze samen rondom de geschiedenis en het gebruik van het woord genocide. Het raakt daarbij aan veel: van de maakbaarheid van taal tot de diep menselijke behoefte onrecht en het leed van een volk te agenderen – iets wat begint bij het kunnen benoemen ervan. Daarmee nodigt het essay uit om dieper na te denken over de vraag of taal ons redden kan, zonder die vraag te reduceren tot een simpele ja/neekwestie.”

Simon Vera wint hiermee een bedrag van 5000 euro. De jury van de Elise Mathilde prijs bestond uit Ton van der Wouden (namens de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde) en Willemijn Punte Zwart, Ludmilla Coornstra, Jelena Barišić en Saskia Aukema (namens Onze Taal). 

De jury heeft de kandidaten gevraagd naar hun gebruik van AI bij het schrijven van hun essay. AI als hulpmiddel (voor bijvoorbeeld suggesties over structuur of voor het zoeken van bronnen) was toegestaan; stukken tekst door AI laten schrijven niet.

Alsjeblieft!

Dit artikel uit het november/decembernummer (2026) van Onze Taal kreeg je cadeau.

Bestel het nummer hier
logo
  • Genootschap Onze Taal
  • Paleisstraat 9
  • 2514 JA Den Haag
  • Taalvragen
  • 085 00 28 428 (werkdagen 9.30-12.30 en 13.30-16.00 uur)
  • taalloket@onzetaal.nl
  • Ledenservice
  • 0251-760123 (werkdagen 9.00-17.00)
  • onzetaal@aboland.nl

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief Taalpost.

  • Privacybeleid
  • Algemene voorwaarden
  • Cookies
  • Contact
Log in


of

Word lid