Opdracht: bedenk een Nederlands woord voor ‘métro, boulot, dodo’

Leven om te werken, dat is waar deze Franse uitdrukking voor staat. Je gaat met de metro (métro) naar je werk, je hebt een baan die niet bepaald hemelbestormend is (boulot is een informeel woord voor ‘baan’ of ‘werk’) en je gaat naar bed (dodo is zoiets als ‘een dutje doen, slapie-slapie’, maar een dodo is natuurlijk ook een uitgestorven vogelsoort) om de volgende dag hetzelfde riedeltje af te draaien. De uitdrukking is bedacht door dichter, schrijver en criticus Pierre Béarn in een gedicht uit 1951 en was een van de leuzen van de Franse studentenrevolte van mei 1968.

Hoe zou deze Franse drieslag in ‘catchy’ Nederlands gevangen kunnen worden?

Ingezonden suggesties van lezers:

  • auto, bureau, k.o.
  • boemeltje, baantje, bedje
  • brood, baan, bed
  • brood op de plank, geld op de bank, vóór je het wist … in de kist!
  • bus, klus, dut
  • bus, baan, bed (4x ingestuurd)
  • bus, klus, huismus
  • busje, baantje, bedje (4x ingestuurd)
  • busje, klusje, nachtkusje
  • busje, klusje, rustje
  • bussen, klussen, dutten
  • bussen, klussen, kussen
  • bussen, klussen, suffen
  • bussen, klussen, sussen
  • bussie, klussie, trustie
  • carpool, werkdoel, leunstoel
  • carpoolen, ploeteren en pitten
  • dag in, dag uit
  • ditje, datje, dutje
  • emplooi, un fooi, me kooi
  • fiets, iets, even niets
  • fiets, iets, het grote niets
  • file-baas-bed, file-baas-bed
  • file, files, flatje
  • file, pielen, pier
  • file, pielen, pieren
  • file, shift, pitten
  • forens, zakenmens, verstrooiingswens
  • huisje, boompje, beestje (2x ingestuurd)
  • je bak, je baas, je bed
  • metro, pipo, zozo (werkt het beste met een Rotterdams accent)
  • metro’s, bureaus, slaap bro’s
  • natje, droogje, dutje
  • onderweg, onderworpen, onder zeil
  • ontbijt, arbeid, slaaptijd
  • op het spoor, op kantoor, op één oor
  • opstaan, baan, slapen gaan
  • ov, pc, wc
  • ritje, zitje, pitje
  • ritten, zitten, pitten
  • sjezen, sloven, slapen
  • slaafje, slaapje, sleurtje
  • slepen, sloven, (en weer) slapen
  • slepen, sleur, slapen
  • sleur in, sleur uit
  • sleur, slaaf, slaap
  • sleuren, sloven, meuren
  • sleuren, sloven, slapen
  • spoor, kantoor, één oor
  • spoorratten, muismatten, afkatten
  • tjoeken, zwoegen, tukken
  • tram, taak, tukken
  • trammen, tobben, tukken
  • trein, taak, tuk (2x ingestuurd)
  • treintje, baantje, slaapje
  • trekkie, takie, tukkie
  • tuf, puf en een tukje
  • tuf, tuk, gebuk
  • tuffen, puffen en een tukje
  • tuffen, puffen, suffen
  • tufje, pufje, tukje
  • van deur naar sleur naar meur
  • van je huis, met de muis, aan de buis
  • vroeg op pad, filerat, afgemat
  • waken, werken en weer weg
  • waken, werken, slapen
  • werk, kerk, zerk (2x ingestuurd)
  • werreke, rukke, tukke
  • woon, werk en welterusten

Deze opgave van Nederland Vertaalt stond op 30 januari 2020 op de Onze Taal Taalkalender 2020.

Naar het overzicht van vertaalopgaven.