Sylvia Witteman schrijft iedere maand over de taal om zich heen - hier haar column uit het januarinummer van Onze Taal.

Zure lappen

Sinds kort moeten mijn jongens zelf hun bed verschonen, ze zijn 20 en bijna 18, dus me dunkt. Dat gaat niet alleen gepaard met (twee-?, drie-?) wekelijks misbaar, maar ook met een spraakverwarring van bijbelse proporties. Want hoe heten de verschillende onderdelen van het beddengoed?

“Ik zoek een schoon laken voor om de deken, maar die zijn allemaal in de was”, zei mijn oudste zoon. “Deken? Je hebt toch geen deken op je bed? Een dekbed, bedoel je”, antwoordde ik, wat mij op een “Dekbed, whatever” kwam te staan.

“Goed zo”, sprak ik. “Dat laken eromheen heet een dekbedhoes. Zo moeilijk is het niet, toch?” Ik kon een zoveelste ‘Wat leren ze jullie eigenlijk op school?’ gelukkig nog net binnenhouden, en overhandigde hem een schone dekbedhoes.

“Oké, nu nog een laken voor het bed zélf”, mompelde hij, staand voor de linnenkast. Ik kon het niet laten. “Een hoeslaken, bedoel je?” Nu werden zijn ogen groot van verontwaardiging. “Wat lul je nou? Dat ándere heette toch een hoeslaken?”

“Nee, dat heet een dekbedhoes …” Eigenlijk inderdaad best verwarrend, die twee soorten hoezen. Zoiets kun je eigenlijk niet vragen van iemand met een vwo-diplomaatje. “Je kunt een dekbedhoes ook een dekbedóvertrek noemen”, zei ik. “Dat is misschien makkelijker te onthouden?”

“Zit je me nou te fokken?”, zei mijn zoon met verwilderde blik. “Nu snap ik er niets meer van!” Woedend trok hij iets uit de linnenkast. “Dat is een molton”, doceerde ik. “Die moet dan weer ónder het hoeslaken, om het tijk van je matras fris te houden. Maar wacht even, die is te groot voor jouw bed. Jij hebt een twijfelaar, en deze molton is voor een lits-jumeaux.”

Er kwamen nog nét geen rookwolkjes uit zijn oren. Molton. Tijk. Twijfelaar. Lits-jumeaux. Het ís inderdaad ook nauwelijks te behappen. Toch ken ik die woorden wel. Misschien is dat typisch iets voor vrouwen? Of is het een leeftijdskwestie?

“Waarom maak je het zo moeilijk?” zei mijn zoon. “Het is heel simpel. Mijn zure lappen moeten in de was. Dan moeten er schone lappen op mijn bed. Een onderlap en een bovenlap. En een kleine lap voor het kussen.”

“Sloop”, slikte ik nog net in.

Even later kwam ik hem weer tegen in de gang. “Heb je de schone lappen nou op je bed gelegd?”, vroeg ik.

“Nee,” zei hij, “mijn oude lappen waren nog niet zuur genoeg.”

 


Word lid van Onze Taal

Deze column uit het januarinummer van Onze Taal bieden we u gratis aan.

Lidmaatschap
Is taal ook voor u belangrijk? Overweeg dan lid te worden van Onze Taal. Daarmee ontvangt u niet alleen tienmaal per jaar ons tijdschrift, maar u helpt ons ook om plezier in en informatie over taal verder te verspreiden.