"Vroeger," zo schreef ik gisteren, "lag de dichterlijke taal verder weg van de spreektaal dan de journalistieke taal. Nu komt ze de spreektaal juist zo nabij dat je eraan moet wennen wanneer je gedichten leest."

Ik had het nog niet geschreven of er werd bekendgemaakt dat Anne Vegter de komende vier jaar onze nieuwe Dichter des Vaderlands zal zijn. Vegter is de kampioen van de vermenging van spreektaal en poëtische taal. Het eerste gedicht dat zij in haar nieuwe functie schreef, luidt:

 

Gebed voor iedereen

Nog trekt het zich terug als in twee vuisten, reculer pour mieux sauter.
Nog lift het vrolijk mee als op het stuur van een weesfiets, zwenkt uit.
Nog loopt het mee in de optocht van iedereen, het spreekt verdwenen taal.
Nog verstopt het zich in geluidsfragmenten, applaus en partituren.
Nog nestelt het gebed zich in het Nederlands en biedt royaal onthaal.

BENG! KLEDDERRRRR! KLENG!

Een opstelling van stokken en tomaten, stenen uit de straat, de verf.
Tongen die spugen op gebed: "Niet buigen broddah! Strek je op!"
Wereldvreemden die maar wat floepen: "Wie de staat kent, kent zichzelf."
Nieuwe talen zingen, roepen: "Niks kebed, suster, komt niet koed."
Daar de mening, hier de uitspraak. Het Laatste Oordeel is bankroet,

roept uit nood en overvloed. Het kruipt door puin en bloeit op stank.
Hecht zich aan honger en verruilt een koninkrijk voor voedselbank,
kijkt, verwart, merkt op. Niet schadevrij, er heerst het schrale tij.
Het lacht en lijdt maar in gelijke mate, dat is de vrijheid van de poëzie.
Bemint een land uit een verlangen naar dat land: gebed laat liefde vrij.

LEVE

majesteit boven dit krachtenveld. Zo’n spiedend oog over de dijk.
Het soort alwetendheid ten dienste van het Crisisrijk. Verheft
in majesteit saamhorigheid tot kunst. Zo dus. O lieve koningin
die levenslang het hele land voorbij zag gaan, nu mag het zomaar,
lekker zomaar in de rij gaan staan.

De taalkundige kracht van dit gedicht ligt, om precies te zijn, niet in het beetje spreektaal dat erin staat. Het ligt in de vermenging van allerlei talen. In 'Gebed voor iedereen' botsen tientallen soorten Nederlands op elkaar: dat van de straat ("niet buigen broddah!") en dat van de klassieke dichtkunst ("Verheft in majesteit saamhorigheid tot kunst" – dat had Henriëtte Roland Holst geschreven kunnen hebben), dat van het verzekeringswezen ("niet schadevrij") en dat van de Viva ("nu mag het zomaar, lekker zomaar").

Je moet bovendien alle registers goed vatten om het gedicht te kunnen begrijpen, wat bijvoorbeeld blijkt uit het woord weesfiets.

Op het eerste gezicht is er een duidelijke driedeling: het gedicht begint kalm en teruggetrokken ("trekt zich terug" staat er zelfs letterlijk, en: "reculer", wat 'terugtrekken' betekent in het Frans, en "verdwenen", en "verstopt zich", en "nestelt zich"). In het tweede deel breekt de onrust uit, en in het derde komt het allemaal weer tot rust. Tussendoor staan woorden in hoofdletters.

Maar wat doet die regel over dat meeliften en uitzwenken op een fiets dan in dat eerste, teruggetrokken gedeelte? Is dat niet een beetje te uitbundig daar op die plek?

Niet als je weet wat een weesfiets is. Het blijkt een woord uit het ambtelijk jargon. Het zijn, volgens het Handboek weesfietsen van het Fietsberaad ('kenniscentrum voor fietsbeleid') "fietsen die op openbaar terrein gestald staan en al langere tijd niet meer zijn gebruikt. Het op structurele basis verwijderen van deze fietsen gebeurt in steeds meer gemeenten en levert grote voordelen op voor de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte".

Weesfietsen zijn, met andere woorden, niet erg mobiel. Wanneer je op een weesfiets gaat rijden, is het geen weesfiets meer. Dat verandert het beeld dus aanzienlijk: iemand die op het stuur van een weesfiets "meelift" komt niet erg ver.

Ik moet mijn bewering van gisteren dus enigszins nuanceren. Niet alleen de spreektaal en de taal van de straat komen de poëtische taal binnengewandeld – dat geldt minstens evenzeer voor de taal van de al dan niet aantrekkelijke openbare ruimte.

 

Marc van Oostendorp

Deze column is de tweede in een serie van vijf, geschreven ter gelegenheid van de Poëzieweek 2013. De vijf besproken gedichten zijn 'gedicht van de dag' in de Laurens Jz. Coster-gedichtenmailings (abonnees hiervan ontvangen iedere werkdag gratis een gedicht in hun mailbox). Abonneren op de Coster-gedichten kan hier. Het Coster-gedichtenarchief vindt u hier.