Niet alles is geregeld in de Nederlandse zinsbouw – soms heb je als schrijver de keuze. Je kunt schrijven dat je een boek 'gelezen hebt', maar net zo goed dat je het 'hebt gelezen'. Historisch gezien is de eerste vorm een oostelijke variant binnen ons taalgebied, de tweede een westerse. Een eeuw geleden hadden sommigen nog gefronst bij de eerste volgorde, omdat deze aan het Duits deed denken – maar inmiddels kijkt niemand nog van dat soort variatie op. 'Het kan allebei’, zegt de taalkundige dan.

Maar is die volgorde wel zo vrij? In taal is geen enkele keuze ooit onschuldig. Fiets en rijwiel betekenen niet hetzelfde: het tweede is plechtiger dan het eerste. Zodra er twee vormen zijn die dreigen gelijkwaardig te worden, groeien ze uit elkaar: ze krijgen een verschillende betekenis, of een verschillende gevoelswaarde. Er is altijd een reden waarom je iets zus zegt, en niet zo.

Ellen Deckwitz maakt daar gebruik van in haar in oktober 2012 verschenen bundel Hoi feest:

 

Het zou kunnen dat ik achter god aanren
en gil dat het met ons wel goed komt.
Nog harder ga

en langs sporen spurt, een half ingevulde sudoku,
een beker vol droesem. Ik hoor iemand in het trappenhuis
en haast me om te zien of hij het is. De stappen
houden halverwege op,

ik roep dat het wel goed komt met ons.
Zal de boterhammen onder zijn deur door sjoelen.

 

Deckwitz experimenteert met de grenzen van de grammatica. Het gedicht begint met een wat omslachtige structuur die afstand schept ("Het zou kunnen dat" in plaats van 'Misschien ren ik achter god aan') en schiet dan in negen regels door naar zo’n beetje de intiemste vorm die we hebben in onze taal: een zin zonder onderwerp ("Zal de boterhammen"), zoals je die in een dagboek schrijft.

Daartussenin speelt Deckwitz haar spelletje met de woordvolgorde. Er staat twee keer bijna dezelfde regel in dit gedicht. Bíjna, want de eerste keer wordt er gegild "dat het met ons wel goed komt" en de tweede keer geroepen "dat het wel goed komt met ons".

Wat is het verschil? Doordat met ons de tweede keer aan het eind van de zin (en aan het eind van de versregel) staat, krijgt het vanzelf meer nadruk. De eerste keer ligt de nadruk meer op goed. Nederlandstaligen ervaren nu eenmaal van nature meer nadruk op dingen die aan het eind van de zin gezegd worden – misschien doordat het tempo afneemt naarmate je het einde van de zin nadert. De laatste woorden spreek je net wat langzamer uit en ze krijgen daardoor een extra accent.

En daardoor klinkt de tweede regel net iets wanhopiger: 'nou ja, het komt misschien niet echt goed meer, maar er is in ieder geval nog wel sprake van een "ons"'. Toch?

 

Marc van Oostendorp

Deze column is de vierde in een serie van vijf, geschreven ter gelegenheid van de Poëzieweek 2013. De vijf besproken gedichten zijn 'gedicht van de dag' in de Laurens Jz. Coster-gedichtenmailings (abonnees hiervan ontvangen iedere werkdag gratis een gedicht in hun mailbox). Abonneren op de Coster-gedichten kan hier. Het Coster-gedichtenarchief vindt u hier.