Vandaag is op 78-jarige leeftijd taalwetenschapper en wiskundige Hugo Brandt Corstius overleden. Hij is bekend geworden als columnist en polemist, die vooral in de jaren zeventig en tachtig eigenzinnig commentaar leverde op zo ongeveer alles wat zich voordeed. Hij deed dat in tientallen gedaanten. Als Piet Grijs schreef hij voor Vrij Nederland, als Stoker op de voorpagina van de Volkskrant, en verder was hij onder meer Raoul Chapkis, Victor Baarn en Maaike Helder. Vanwege zijn messcherpe en kraakheldere stukken werd hij voorgedragen voor de P.C. Hooftprijs, maar net als veel van zijn werk leidde die voordracht tot ophef. De toenmalige minister van cultuur Elco Brinkman weigerde de prijs uit te reiken omdat de laureaat “het kwetsen tot een instrument had gemaakt”. Begin 1984 had Brandt Corstius Brinkmans partijgenoot, minister van Financiën Onno Ruding, in de krant “de Eichmann van onze tijd” genoemd.

Als taalkundige publiceerde Brandt Corstius onder het pseudoniem Battus. Zijn creatieve en volstrekt oorspronkelijke kijk op taal kwam tot uiting in boeken als Rekenen op taal (1983) en De encyclopedie (1978). Dat laatste bevat bijvoorbeeld een overzicht van alle manieren waarop je ‘ja’ kunt zeggen, en woorden voor zaken die nog niet benoemd zijn, zoals zwok: “voorwerpje in schoen dat er niet meer is als schoen is uitgetrokken”.

Maar de meeste taalkundige roem verwierf Brandt Corstius met het door hem nauwkeurig in kaart gebrachte ‘Opperlands’ – “Nederlands met vakantie”, zoals hij het noemde. In de zomers van de jaren ’76-’78 publiceerde hij, weer als Battus, in NRC Handelsblad, Vrij Nederland en Onze Taal de eerste collectie palindromen, klinkerstapels, isogrammen en wat dies meer zij. Uiteindelijk verschenen ze in 1981 in één dikke Opperlandse bijbel: Opperlandse taal- & letterkunde, in 2002 heruitgegeven als Opperlans! Het boek heeft veel teweeggebracht, bijvoorbeeld bij cabaretier Erik van Muiswinkel: “De liefhebbers, onder wie ikzelf, stortten zich er hongerig op, en iedereen begon palindromen te maken en taalvondsten te verzamelen. Geen andere Europese taal kon pronken met zo’n mooie, systematisch ingedeelde, quasi-serieuze neptaalkunde als wij vanaf toen met ons Opperlands.”

Ook nadien bleef Brandt Corstius zich nog jarenlang buigen over allerlei Nederlandse en Opperlandse kwesties, onder andere in Onze Taal. Daarin behandelde hij in 2001 bij wijze van ‘Opperlandse vingeroefeningen’ woordparen als gerstendrank - kerstendrang, puntschelm - muntschelp en rijzweep - pijzweer.

Redactie Onze Taal