De afgelopen eeuw is de taal enorm veranderd. De vreemde dictie van op de plaat gezette toespraken van het begin van de 20ste eeuw wekt nu vooral verbazing. Een krantenartikel van 1913 zou je vandaag de dag niet zomaar ongewijzigd in de krant krijgen. En Louis Couperus schreef zijn romans in een heel ander soort taal dan Arthur Japin.

De richting van de veranderingen die hebben plaatsgevonden is wel steeds dezelfde: het openbare taalgebruik schoof dichter naar de alledaagse taal toe – net zoals een heer vroeger een stropdas voordeed om in het openbaar te spreken, en hij nu het liefst in een spijkerbroek verschijnt. Honderd jaar geleden waren er twee talen: een voor het openbare leven, en een voor thuis. Die laatste taal won gaandeweg terrein. Het duidelijkst zie je dat in de taal van de dichters. Die is in de afgelopen eeuw pas echt onherkenbaar veranderd. In 1912 schreef Henriëtte Roland Holst (in de bundel De vrouw in het woud) de beroemde regels:

Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud,
maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd
den weg uit smart en twijfel, noch gedragen
omhoog (…)

Alles aan Roland Holsts taal ademt dichterlijkheid, en vooral ook taalgeschiedenis: de naamvallen ("mijner dagen", "levens donker woud", "den weg"), de opmerkelijke zinsbouw ("mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd den weg"), de woordkeus ("smart") … Niets van dit alles kwam voor in de alledaagse conversatie van 1912, maar een dichteres veranderde radicaal van taal zodra zij haar ganzenveer geslepen had.

Slechts honderd jaar na Roland Holst – een oogwenk in de taalgeschiedenis – dichtte Joke van Leeuwen, in Half in de zee, haar Gedichtendag-bundel van vorig jaar:

Eenzame uitvaart

De man van as zegt: neem mijn urn
bij mijn middel vast, ja zo, verstrooi mij
niet hier op het voorgeschreven gras, op
ander as van vorig jaar. Verstrooi mij als

een kruimelspoor, daar waar men voort-
stapt en iets meent te moeten. Leg mijn
verkleinde brein, mijn reumavoeten
onder de leuning van het viaduct

(bergje van niks, maar wel een bergje)
dan waai ik zelf als storend stof
op snelle auto's ergens heen.
Toch licht. Toch tegenwoordig.

Niet alleen zijn de naamvallen weg en is de woordkeus alledaags ("bergje van niks"), maar ook is de zinsbouw veel dichter bij de alledaagse taal komen te staan. Bij "waar men (…) iets meent te moeten" wringt het misschien een beetje, maar dat is eerder omdat het voor ons gevoel te modern en te spreektalig is voor schrijftaal: je hoort mensen om je heen dat soort dingen wel zeggen, maar in de krant wordt het niet geschreven. Vroeger lag de dichterlijke taal verder weg van de spreektaal dan de journalistieke taal, maar nu komt ze de spreektaal juist zo nabij dat je eraan moet wennen wanneer je gedichten leest.

Is dat nu een verlies? Die prachtige, verheven taal van de poëten die verruild is voor het platte en het alledaagse? Ik denk zelf dat het eerder een verrijking is – van de dichterlijke taal én van de taal van alledag. Iedere taal wordt dichterlijke taal in de tekstverwerker van de dichter. Van Leeuwen laat de diepte en het ongewone zien van de gewone spreektaal ("ja zo"). In plaats van de grote woorden van Roland Holst ("aardsche wijsheid", "smart en twijfel") weet de dichter van nu pregnante beelden en klankeffecten ("mijn verkleinde brein", "storend stof") uit de alledaagse taal te peuren. De taal van Roland Holst had zich zo ver losgezongen van de taal van het dagelijks leven dat die laatste ook niet meer verrijkt kon worden door de dichteres.

Van Leeuwen speelt overigens ook met de uitspraak van woorden in haar gedicht. De "man van as" zegt "verstrooi mij als". Door veel mensen wordt als uitgesproken als ‘as’. Ook in 1912 was dit waarschijnlijk het geval, maar Van Leeuwen laat zien wat onze eigen taal allemaal vermag. Ik vind dat mooier en bevredigender. Maar ik ben dan ook een lezer uit 2012. Wanneer er zoveel kan veranderen binnen honderd jaar, kun je dan ook een dichterlijke taalverandering opmerken binnen één jaar – van de Gedichtendag-bundel van 2012 tot de Gedichtendag-bundel van 2013? Dat ga ik de komende week hier onderzoeken, aan de hand van een 'kruimelspoor' van gedichten die in het afgelopen jaar verschenen zijn: "daar waar men voortstapt en iets meent te moeten".

Marc van Oostendorp

Deze column is de eerste in een serie van vijf, geschreven ter gelegenheid van de Poëzieweek 2013. De vijf besproken gedichten zijn 'gedicht van de dag' in de Laurens Jz. Coster-gedichtenmailings (abonnees hiervan ontvangen iedere werkdag gratis een gedicht in hun mailbox). Abonneren op de Coster-gedichten kan hier. Het Coster-gedichtenarchief vindt u hier.