2020 was het jaar van de afstand – afstand houden in de winkel, op afstand werken, en vooral ook: op afstand praten. Via een scherm, op Zoom, Google Meet of een ander programma dat mensen in kleine vierkantjes indeelt, van waaruit zij, als ze niet op mute staan, door elkaar heen kunnen praten. Het leidde tot een heel nieuw arsenaal aan clichés op de werkvloer-op-afstand. Aaf Brandt Corstius inventariseerde ze. 

‘O, zijn de anderen er nog niet?’ 
De zin die iedereen steeds maar weer uitspreekt in de gênante eerste vijf minuten, als je met twee andere keurig-op-tijd-komers in een meeting zit, terwijl twintig andere deelnemers op zich laten wachten. Dit is erger als je elkaar eigenlijk helemaal niet kent. Of als het net de collega’s zijn die je het meest haat.

‘Sorry, wat wilde jij zeggen ...’, ‘O, ik wilde alleen maar ...’, ‘Nou, ik – ja, zeg jij het maar’, ‘Ik dacht dus – maak gerust je gedachte af, hoor.’
Dit is niet alleen een videobelcliché, het zijn letterlijk de meest uitgesproken zinnen van elke videoconferentie ooit gevoerd.

‘Ik zie alleen de bovenkant van je hoofd.’
Meestal uitgesproken door een iets jongere deelnemer aan het gesprek tegen een iets oudere deelnemer. De jongere weet precies hoe je moet zitten, welk kastje in haar huis het meest fotogeniek is als achtergrond en welke foundation zorgt voor de minste glim op het gezicht. De oudere is al blij dat hij door een soort technisch wonder in de vergadering is beland, en filmt nu alleen het topje van zijn hoofd – en vindt het eigenlijk gezeur dat de andere collega’s in de meeting hem daar aanhoudend op wijzen.

‘Ja, dus dit is nou mijn kat/kind/man/vrouw/glazenwasser.’
Spreekt voor zich.

‘O, mijn kind wil ook wat zeggen.’
Het onvermijdelijke moment dat zich voordoet in het leven van elke werknemer die toevallig ook ouder van een kind is. Op het werk kun je die status redelijk lang downplayen of verborgen houden, maar nu moet je ineens ten overstaan van al je collega’s laten zien dat je een leuke, relaxte, maar op de nodige momenten ook heel strenge vader of moeder bent, die zijn of haar kind wel even door een vergadering heen laat tetteren, maar daarna korte metten weet te maken met dit gedrag. Want de regel is: een kind mag één keer jolig door een videogesprek heen kwebbelen, maar daarna eigenlijk nooit meer.

‘O, mijn kat wil ook wat zeggen.’
Katten liggen bij de meeste collega’s wat makkelijker dan kinderen, en van hen wordt het ook eerder gedoogd dat ze videovergaderingen onderbreken dan van kinderen. Ten eerste omdat ze feitelijk gezien weinig zeggen, en ten tweede omdat ze schattig zijn. Er zijn zelfs hele vergaderingen die eigenlijk alleen bestaan uit negen collega’s die ieder in hun eigen vakje hun kat omhooghouden. Dat kan prima werken, als bonding of alternatief voor het teamuitje. Zoveel heb je misschien ook niet te bespreken.

‘Zet het anders even in de chat.’
Meestal passief-agressief uitgesproken, of gewoon ronduit agressief, als te veel mensen door elkaar heen een punt proberen te maken in een online vergadering. Vervolgens maken mensen hun punt dan in de chat, waar verder niemand ooit nog op reageert.

‘Hoe vinden jullie mijn palmenstrand?’
Tuurlijk, die achtergrondjes van palmenstranden, stapels geld of skylines waren een tijdje heel vernieuwend en leuk, maar die ene collega blijft zijn achtergrond maar om de vijf minuten veranderen en er ook te veel aandacht op vestigen, bijvoorbeeld door met een met het decor matchende zwembroek, zonnebril en opengesneden kokosnoot met rietje te verschijnen.

‘Ik heb hieronder wel een broek aan, hoor.’
Iedereen weet dat mensen geen gewone kleren dragen als ze thuiswerken, of in ieder geval dragen ze een joggingbroek, maar meestal draagt men natuurlijk alleen een representatieve trui en daaronder een onderbroek. Aan de voeten van iedere thuiswerker staat een uitpuilende mand met vuil wasgoed, en net buiten beeld een klein bordje met een groot stuk aangevreten koude pizza erop. Zo is dat gewoon. Maar er is altijd een collega die ook meent te moeten benoemen dat hij wel een gewone outfit draagt, waardoor de resterende collega’s zich de rest van de meeting afvragen of hij helemaal naakt is buiten beeld.

‘Ehm. Je staat niet op mute.’
Een mooi voorbeeld hiervan kwam onlangs voorbij via de Amerikaanse acteur Lukas Gage, en ging viraal. Gage moest via een videogesprek auditie doen voor een rol, en de grote regisseur aan de andere kant van de lijn dacht dat Gage hem niet hoorde. En begon uitgebreid zijn huis te bekritiseren. “Waar die mensen allemaal in wonen! Ik zie nu weer zo’n heel klein huis, met een tv’tje op de achtergrond ...” Waarop Gage de regisseur met een subtiele blik onderbrak en hem zachtjes liet weten dat hij, ahem, niet op mute stond.

‘Ik hoor jullie niet! / Horen jullie mij? / Ik zie jullie niet! / Zien jullie mij?’
e inhoud van vijftig procent van alle videovergaderingen ooit gevoerd.

‘Ga anders even naar Firefox.’
Of andere tips om het cliché ‘Ik hoor jullie niet! / Horen jullie mij? / Ik zie jullie niet! / Zien jullie mij?’ op te lossen – tips die nooit helpen.

‘Ik zit al een tijdje in de wachtkamer, maar je laat me niet binnen.’
Niet uitgesproken in de vergadering zelf, maar via een woedend appje aan degene die de meeting had afgedwongen en nu zelf te laat is en iedereen in de virtuele wachtkamer laat zitten.

‘Sorry, ik blijf een aardappel.’
Dit is misschien niet een heel veel gebruikte Zoom-zin, maar er was een directrice die bij een vergadering een aardappel van zichzelf maakte, en toen niet meer terug wist te schakelen naar haar eigen, gewone gezicht, en de rest van de vergadering als aardappel moest voorzitten.

(tekst loopt door onder de illustratie)

‘Ik doe even alleen mee met audio.’
Lees: ‘Ik lig nog in bed’, ‘Ik zit langdurig op de wc’, ‘Ik ben helemaal niet in mijn eigen huis maar bij mijn geheime minnaar’ of ‘Ik ben naakt.’

‘Anders probeer ik het even met een koptelefoon.’
Wanhoopskreet van die ene collega die nog steeds niemand hoort.

‘Ik vind zoomen eigenlijk heel vervelend.’
Ja, wie niet?

‘Ik moet nu weg.’
Een lastige, want dit zijn de afrondende woorden die je wilt uitspreken als je uitgepraat bent. Maar in tijden van corona hoeft bijna nooit iemand echt weg, want iedereen werkt thuis en je hebt niet zoveel plekken waar je heen moet, en je mág ook niet naar zo heel veel plekken. Het is daarom belangrijk om al voor het gesprek een exitstrategie te hebben. Opties: ‘Ik moet mijn kinderen van school halen’, ‘Ik moet naar de (dieren)dokter’, ‘Ik heb nog een call.’

‘Ik heb nog een call.’
Excuus om de meeting te verlaten. En waarom noemt iedereen dit ineens ‘een call’? Dat weet niemand. Waarschijnlijk omdat het belangrijker klinkt dan ‘een telefoontje’.

* Extreem luid gekrakeel *
Mijn kinderen, en alle kinderen ter wereld die thuisonderwijs moesten volgen, als hun klas klaar is met een Zoommeeting, de leraar uitgelogd is en ze nog blijven hangen met zijn dertigen.

‘Kun je dit anders even allemaal op de mail zetten?’
Eigenlijk een veel betere oplossing dan al dat gevideobel.

De stilte na ‘Dag!’ terwijl je zit uit te loggen.
De gênantste stilte ooit. Je hebt al ‘dag’ gezegd. Je bent nog in beeld. En zo ben je weer terug bij het gevoel van het begin, dat ook al gênant was.

 

Tekst: Aaf Brandt Corstius
Illustratie: Kalle Wolters

Artikel uit het januarinummer 2021 van Onze Taal.
Nooit meer iets missen? Word lid van Onze Taal!