Het leuke van werken bij Onze Taal (met hoofdletters) is dat je merkt hoe ontzettend gevarieerd onze taal (met kleine letters) eigenlijk is. Ik heb in de afgelopen 22½ jaar veel kwesties voorbij zien en horen komen waarvan ik me überhaupt nooit bewust was dat daar variatie in bestond.

Zo wist ik, ondanks Oost-Nederlandse ouders, lange tijd niet dat het in Nedersaksische gebieden heel gewoon is om ‘Ik ben dat niet nodig’ te zeggen (in plaats van ‘Ik heb dat niet nodig’). Wel ben ik vertrouwd met ‘Ik doe de deur los’, wat ook typisch Nedersaksisch schijnt te zijn.

Toevalligheden

Dat soort dingen zijn interessant om over na te denken, en voer voor discussie. Waarom zou ‘Ik heb dat nodig’ beter zijn dan ‘Ik ben dat nodig’? En ‘Ik doe de deur open’ beter dan ‘Ik doe de deur los’? En nog algemener: waarom zou ‘groter dan’ beter zijn dan ‘groter als’?

Taal hangt aan elkaar van toevalligheden. Van toevallige ontwikkelingen, toevallige keuzes. Als zo’n toevalligheid de norm wordt in de standaardtaal, is het vaak net of alle andere opties besmet zijn. En alsof iemand die ‘de deur losdoet’, een slechtere taalgebruiker is. Terwijl je het ook als rijkdom zou kunnen zien dat er zoveel variatie is.

Variatie

Dit is een onhandig uitgangspunt voor een taaladviseur. Mensen benaderen ons omdat ze willen weten ‘hoe het hoort’, niet om te horen wat er allemaal nog meer zou kunnen. Gelukkig kan ik daar meestal wel antwoord op geven: in de standaardtaal is dat en dat de norm. Maar ik vind het soms ook wel jammer dat zoveel (of: zo veel) mensen alles per se (of: persé) maar op één manier willen doen, of denken te mogen doen.

Toen ik als bijna-25-jarige bij Onze Taal in dienst kwam, dacht ik dat ik het Nederlands zo goed als perfect beheerste. En dat op elke vraag maar één antwoord mogelijk was. Maar gaandeweg heb ik dus geleerd dat het lang niet altijd zo zwart-wit is. Dat er veel variatie is. En dat die er ook altijd geweest is, en dat ook de variatie steeds verandert – hoe abstract dat misschien ook klinkt.

Open blik

Ik ben dan ook steeds meer met een open blik naar taal gaan kijken. Ik wandel door de taal zoals je door de natuur loopt: er leeft van alles, er groeit van alles, en dat kan allerlei vormen hebben en alle kanten op gaan. En je kunt de gebaande paden volgen, maar ook een onverwachte kant op dwalen. Soms ontdek je dan iets wat je nog niet kende – en soms is dat iets moois, en soms past het wat minder goed in het geheel.

Ik vind het een leuk en bijzonder beroep: mensen helpen om hun tekst te verbeteren. En uitleggen waarom iets zus of zo is, of waarom het een misschien beter, mooier of duidelijker is dan het andere. En het leukst is om dingen te ontdekken die ik nog niet wist.

Die rijkdom, die variatie. Dat is het mooiste van een taal.

---

Rutger Kiezebrink

---

Deze bijdrage is geschreven in het kader van het 35-jarig bestaan van de Taaladviesdienst, in november 2020. Zie ook de jubileumpagina!