Het moet in november 1992 zijn geweest dat ik voor het eerst aanbelde bij het Genootschap Onze Taal voor een sollicitatiegesprek. Er was namelijk een functie beschikbaar voor een ‘taaladviseur’.

Neigen/nijgen

Ik had verwacht voor een strenge commissie te moeten verschijnen, maar in plaats daarvan ontmoette ik twee vriendelijke dertigers, Peter Smulders en Liesbeth Gijsbers. Ze vroegen me niet eens de kenmerken van het voorzetselvoorwerp op te noemen, maar waren nieuwsgierig naar andere dingen. Bijvoorbeeld: of ik mensen om me heen vaak verbeterde (ik: vrijwel nooit, soms voor de grap). Of ik dacht dat ik zelf ‘foutloos’ sprak en schreef (ik: nee). Of ik mezelf als net afgestudeerde neerlandicus een ‘taalexpert’ vond (ik: nee).

Verder ging het gesprek meteen ook over taal - ik herinner me dat het woordpaar ‘neigen/nijgen’ aan de orde kwam: hoe deze vormen al eeuwen in elkaars vaarwater zitten.

Te leuk om het een baan te noemen

In de trein terug naar huis dacht ik: dit kán niet mijn baan worden, het lijkt me té leuk. Maar het werd mijn baan. Na al die jaren voelt werken bij de Taaladviesdienst nog steeds als ‘eigenlijk te leuk om het een baan te noemen’. Bovendien bleek het telkens nieuwe vragen van anderen over taal beantwoorden voor mij dé manier om zelf te blijven leren, wat het allemaal extra de moeite waard maakt.

Als ik mijn sollicitatiegesprek van 28 jaar geleden nu zou moeten overdoen, zouden mijn antwoorden hetzelfde zijn. Ik verbeter mensen nooit ongevraagd (alleen vrienden en familie voor de grap), ik spreek en schrijf niet foutloos en de term ‘taalexpert’ past niet bij mij. Ik houd er gewoon van elke dag iets nieuws over taal te leren en daar dan weer over te vertellen en te schrijven.

---

Roos de Bruyn

---

Deze bijdrage is geschreven in het kader van het 35-jarig bestaan van de Taaladviesdienst, in november 2020. Zie ook de jubileumpagina!