Page 5 - OnzeTaal_febmrt2019_HR
P. 5
Foto: Harry Pot / Spaarnestad Photo
wetmatigheden kunnen ontdekken. Mooie theorie, maar
in de praktijk komt er niet altijd veel van terecht, omdat
de meeste docenten de klassieke ‘literair-grammaticale’
methode blijven aanhangen, ook al omdat die zelf-
expressie in de standaardtaal nog niet zo gemakkelijk
is: in die tijd spreekt alleen de bovenlaag van de Neder-
landse bevolking van huis uit ABN, Algemeen Beschaafd
Nederlands.
VERZAKELIJKING
Bleven de moderne inzichten dus maar een onderstroom
1975 in het klassieke schoolvak, in de jaren dertig worden ze
helemaal verdrongen. In de taalkunde (eigenlijk in de
algemene maatschappelijke opvattingen over taal), de
literatuur en de kunsten ontstaat, als reactie op indivi-
dualistische stromingen, een zekere verzakelijking.
Zowel in het gewone taalgebruik als in de literatuur gaat
men zich meer richten op een sobere, zakelijke, maat-
schappelijke norm. De spelling wordt hervormd (de
meer culturele eigenaardigheden, zoals het verschil tus-
ste expressie van de allerindividueelste emotie” propa- sen lezen en heeten, worden verwijderd) en het schoolvak
geren. Kortom: de individuele, en vooral ook de gewone wordt “een voorwerp van voortdurende zorg”, zoals het
mens komt overal meer op de voorgrond te staan dan in de grondwet heet. Er verschijnen kritische publicaties
het collectief in de vorm van een culturele elite. over de chaos en vrijblijvendheid in het schoolvak, en er
zijn veel klachten over de gebrekkige taalbeheersing van
TAAL IS KLANK de jeugd. De normloosheid in het schoolvak krijgt de
Dit alles heeft natuurlijk gevolgen voor het onderwijs. schuld, en meer aandacht voor stijl-, grammatica- en
Eind negentiende eeuw ontstaan er allerlei hervor- spellingoefeningen is het gevolg. In 1932 drukt de didac-
mingsbewegingen in het onderwijs (zoals het montes- ticus J. Leest de zakelijke functie van het schoolvak als
sori-onderwijs), en in het schoolvak Nederlands wordt volgt uit: “Het onderwijs (…) moet naast het AB [= het
de persoonlijke taal van de leerling belangrijker dan de Algemeen Beschaafd] de voornaamste andere taalsoor-
‘dode’ literaire taal. Vakdidactici als Jan van den Bosch
gaan tekeer tegen het literair-grammaticale onderwijs
dat “den knaap van zijn eigen taal (zou) vervreemden”. “Het moedertaalonderwijs
‘Taal is klank’ is de nieuwe, ook door schrijvers als Kloos
en Van Deyssel omarmde leuze, en daarmee komt ook de blijft zoo vervelend, omdat
zelfexpressie meer centraal te staan.
De taalkundigen C.G.N. de Vooys, Jac. van Ginneken wij ons doodkniezen op de
en anderen pleiten in de meest bloemrijke bewoordin-
gen voor meer aandacht voor de spreektaal, dialecten, bevroren taalvormen.”
groepstalen, kindertaal, en het verschil tussen klank en
letters. Zo merkt Van Ginneken begin twintigste eeuw
op “dat het moedertaalonderwijs juist daarom zoo suf en ten als journalistieke, wets-, vak-, sport-, wetenschap-
zoo dor, zoo vervelend en zoo nutteloos blijft, omdat wij pelike taal, en verder in beperkte mate ook middeleeuw-
ons doodkniezen op de bevroren taalvormen, en in de se en zeventiende-eeuwse, alsook Zuidnederlandse als
klas tenminste, geen flauwe notie schijnen te hebben Zuidafrikaanse taal leren begrijpen.”
van den verwarmenden levensinhoud der taal, haar vol In die jaren voor de Tweede Wereldoorlog staat onder
zielsgehalte, haar sympathieken harterijkdom, haar invloed van de handel en de industrie de maatschappe-
diepe gevoelsecho’s en haar breed uitvademende verge- lijke relevantie van het schoolvak centraal: wat kun je na
zichten”. Uit die tijd stamt ook De roman van een kleuter je schoolopleiding met Nederlands? Ook een grotere toe- ONZE TAAL 2019 — 2/3
van Van Ginneken, over de taalontwikkeling van de drie- name van het aantal leerlingen maakt een minder indi-
jarige Keesje. vidualistische aanpak noodzakelijk. Schoolboeken uit
In de klas zouden de leerlingen, in plaats van onder- deze tijd worden nog tot ver in de jaren zestig gebruikt,
worpen te worden aan een ‘dressuur’ van literaire taal zoals Verstandelijke taal van Leest uit 1932 en Nederlands
en grammaticale regels, juist hun eigen taalgevoel moe- na 1600 van Karsemeijer en Kazemier uit 1938. Veel tek-
ten laten spreken, zelf hun uitspraak kunnen noteren in sten met veel vragen, veel van hetzelfde, weinig syste-
fonetisch schrift, en op basis van eigen onderzoek de matisch, maar wel heel veel oefenstof. 5

