Zeg je ‘Ik geef het boek aan hen’? Of ‘aan hun’? De beruchte hen/hun-regel is ooit in het leven geroepen door een taalgeleerde. Betekent dit dat we die regel ook weer net zo makkelijk ongedaan kunnen maken?

Marc van Oostendorp

De strijd is nog onbeslist, maar zeker niet vanwege gebrek aan belangstelling. Zelden waren de bezoekers van de website van Onze Taal zo verdeeld als toen ze werd gevraagd naar hen en hun. “Wordt het niet eens tijd dat onderscheid af te schaffen?”, vroeg de webredactie deze zomer. Bijna 1700 mensen reageerden, waarvan precies 50% voor en 50% tegen afschaffing stemde.

Voorstanders noemden het verschil ‘verwarrend’ en ‘onnodig’, tegenstanders vonden dat mensen best wat meer hun best mochten doen op deze oude grammaticaregel – en een enkeling merkte op dat het hier in feite een schijndiscussie betrof. Want we kúnnen het verschil tussen hun en hen helemaal niet ‘afschaffen’, hoe hard we dat met zijn allen ook zouden willen. Taal verandert voortdurend, maar wij taalgebruikers kunnen daar nauwelijks bewust invloed op uitoefenen, en in ieder geval niet door regels ‘af te schaffen’.

Illustratie: Frank Dam

Illustratie: Frank Dam

Gemiddelde burger

Taalregels zijn geen wetten die in een boek staan en die we daar weer uit kunnen halen door daar met een meerderheid van stemmen toe te besluiten. Taalregels zijn spoken die blijven rondhangen tot echt niemand meer in ze gelooft. Zolang er mensen zijn die andere mensen blijven beoordelen op het gebruik van hun en hen, blijft de regel bestaan, hoe onlogisch en onaardig we die mensen ook kunnen vinden. Wat dit betreft lijken grammaticaregels op etiquette: de regel dat je het mes rechts van het bord legt en de vork links, kunnen we ook niet ‘afschaffen’. Wel staat het iedereen vrij zich er, zolang de burgemeester niet op visite komt, niet aan te houden.

De enige uitzondering zijn regels voor de spelling. Die staan wel officieel beschreven, zelfs in de wet, en er is een staatscommissie die daardoor kan besluiten een bepaalde regel te schrappen of te veranderen. Dat lukt ook aardig, want Nederlanders en Vlamingen zijn brave volkeren: iedere keer als er een spellingverandering wordt doorgevoerd, stijgt er weliswaar een hoop gemopper op, maar binnen een paar jaar worden toch vrijwel alle kranten, tijdschriften en boeken uitgegeven in een ‘nieuwe’ spelling – die eigenlijk ook nog eens officieel alleen geldt voor de overheid en het onderwijs. Ook als het om spelling gaat, zijn er overigens eigenlijk geen sancties op het niet volgen van de wet – van spellingregels hoeft niemand zich iets aan te trekken.

Keurige rijtjes

Buiten de spelling bestaan er dus helemaal geen juridisch gewaarborgde wetten. Er zijn wel taaladviesboeken, zoals de Schrijfwijzer van Jan Renkema, en websites, zoals die van Onze Taal, waar je de regels kunt opzoeken, maar die bronnen zijn ook niet zelf de autoriteit. Ze leggen alleen uit wat ‘de goegemeente’ vindt. Die wijsheid baseren ze op andere bronnen en soms op een onderzoekje onder journalisten of leraren.

Je leert van dit soort boeken en websites dus geen harde regels: je leert hoe je spreken of schrijven moet zonder een (zelfbenoemde) taalelite tegen de haren in te strijken. En die elite trekt zich daarbij weinig aan van een enquête op de website van Onze Taal.

De geschiedenis van hun en hen is wat dit betreft instructief. In de Middeleeuwen hadden alle Nederlandse dialecten nog een verschil tussen een derde en een vierde naamval. Je zei – ik moderniseer de spelling even – ‘Ik geef der vrouw dat boek’ (derde naamval) maar ‘Ik zie de vrouw’ (vierde naamval), ongeveer zoals je dat in het Duits nog steeds doet. Niemand had daar een probleem mee, middeleeuwse kindertjes pikten het in de eerste jaren van hun leven moeiteloos op. Grammaticales op school was daar niet eens voor nodig.

Vanaf de veertiende eeuw veranderde er iets, en in de loop van de eeuwen verdween het verschil tussen de derde en de vierde naamvallen uit de dialecten. In de zeventiende eeuw – de tijd dat men zich actief begon in te zetten voor een overkoepelende standaardtaal naast de dialecten – waren er grammatici en schrijvers die dit betreurden. Een echte taal moest, zoals het Latijn, verschil maken tussen de derde en de vierde naamval. Grammatici als Christiaen van Heule namen in hun grammaticaboeken keurige rijtjes op met een door henzelf opnieuw geconstrueerd verschil tussen hun (derde naamval: ‘Ik geef hun een boek’) en hen (vierde naamval: ‘Ik zie hen’). Dat verschil was nu echter kunstmatig, en ook niet gebaseerd op kennis van de middeleeuwse taal.

Succesnummer

Die hun/hen-regel was niet de enige in het grammaticaboek van Van Heule. Hij stelde ook een verschil tussen hum en hem voor (‘Ik geef hum een boek’, ‘Ik zie hem’) en een verschil tussen na en naar (‘Ik kom na het eten’, ‘Ik ga naar de stad’ – tot die tijd kon je ook zeggen: ‘Ik ga na de stad’).

De drie regels hebben interessant genoeg een verschillend lot ondergaan. Het verschil tussen hum en hem is nooit aangeslagen. Dat komt misschien doordat de vorm hum nooit bestaan heeft, in tegenstelling tot hun, dat natuurlijk ook een bezittelijk voornaamwoord is (‘Dat is hun boek’) en dat dus ook in de echte, levende, niet door grammatici verzonnen taal zat. Het verschil tussen na en naar is daarentegen voor heel veel sprekers van het Nederlands echt natuurlijk taalgebruik geworden. Veel kinderen pikken het net zo natuurlijk op als pakweg het verschil tussen in en tijdens; op school hoeft er nauwelijks aandacht aan te worden besteed. Er zijn nog wel dialecten die het verschil niet meer maken, maar na/naar was waarschijnlijk Van Heules grootste succesnummer.

Levendiger

Voor hun en hen ligt dat anders: dat is voorzover bekend voor niemand ooit echt ‘natuurlijk’ taalgebruik geworden – wat voor Onze Taal ook een reden was om de enquête te houden. Kinderen pikken het nooit zomaar op uit hun omgeving. Mensen die het onderscheid correct hanteren, hebben dat altijd op school moeten leren, en wie het gebruikt, moet altijd even nadenken, al is het maar een fractie van een seconde. Terwijl een Duits kind van vier moeiteloos het verschil weet tussen ‘Ich gebe ihr das Buch’ en ‘Ich sehe sie’, moet een Nederlands kind eerst les krijgen in ontleden.

Taalregels zijn spoken die blijven rondhangen tot echt niemand meer in ze gelooft.

Bij de enquête van Onze Taal beweerden sommige mensen overigens dat het onderscheid tussen hun en hen voor ‘dialectsprekers’ makkelijker zou zijn, maar dat is heel onwaarschijnlijk. Er zijn sinds de Middeleeuwen in Nederland en in Vlaanderen geen dialecten meer die nog een derde naamval hebben. Misschien waren deze mensen in de war met het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden (regering is vrouwelijk, dienst is mannelijk), dat in sommige dialecten nog wel levendiger is dan in de Nederlandse standaardtaal.

Goegemeente

Dat het Van Heule is gelukt om dat verschil tussen hun en hen in te voeren, betekent niet dat het nu nog mogelijk zou zijn om het af te schaffen. Van Heule bedacht zijn grammatica in een tijd dat de standaardtaal ontstond, en wel bij een nogal kleine elite die kennelijk vrij makkelijk tot overeenstemming kon komen. Zijn regel heeft inmiddels echter postgevat in de hoofden van miljoenen Nederlandstaligen als iets wat ‘eigenlijk’ zo hoort, en die mensen passen zich niet meer zomaar aan. Je kunt de uitslag van de enquête van Onze Taal wel zien als aanwijzing dat daarin iets aan het veranderen is: als we ervan uitgaan dat die enquête weerspiegelt wat de goegemeente heden ten dage belangrijk vindt, sterft deze regel misschien langzaam een stille dood. Over honderd jaar vindt niemand het verschil meer belangrijk, en dan bestaat het niet meer. Maar dat is wat anders dan ‘afschaffen’.

Wat je als tegenstander van het verschil eventueel wél kunt doen: jezelf niets van die regel aantrekken. Behalve als je afhankelijk bent van het taaloordeel van die ándere 50% van de goegemeente zit daar geen enkele sanctie aan vast. We kunnen taalregels niet veranderen, ze kunnen wel verdwijnen.