Sinds de verkiezing van Trump is nepnieuws een hype. Maar nieuw is het niet: ook honderd jaar geleden drukten kranten zo nu en dan compleet verzonnen nieuwsberichten af. Alleen heetten ze toen anders.

Peter Burger - Universiteit Leiden

Broodje aap, hoax, en tegenwoordig vooral: nepnieuws. Die woorden gebruiken we voor nieuwsberichten die geheel of gedeeltelijk verzonnen zijn. Broodje aap stamt uit 1978; het komt van de gelijknamige verzameling sterke verhalen van Ethel Portnoy. Hoax (spreek uit: ‘hooks’; afgeleid van hocus pocus) werd populair na de opkomst van internet in de jaren negentig en doelde oorspronkelijk op valse waarschuwingen voor computervirussen.

Het meest recente woord, nepnieuws, danken we aan de verzonnen berichten die via Facebook en Twitter circuleerden tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016. Toen ook Donald Trump zelf het woord ging gebruiken (tegen een CNN-journalist: “You are fake news!”), werd nepnieuws een hype.

Maar verzonnen nieuws is niets nieuws. Ook honderd jaar geleden stonden er al broodjes aap in de krant. Hoe noemden de journalisten van toen zo’n verhaal? En hoe verklaarden ze die missers?

Ik nam een duik in de digitale archieven van Delpher.nl – twaalf miljoen krantenpagina’s! – op zoek naar het nepnieuws van vroeger in kranten uit Nederland en de koloniën. Mijn speurtocht startte omstreeks 1850, toen de krant opkwam als massamedium en journalisten professionele en betrouwbare nieuwsbrengers werden. Of dat wilden lijken.

Onder de streep

Kranten uit die begintijd ogen grauw: er stonden nog geen foto’s in, koppen waren saai; boven een stuk stond bijvoorbeeld alleen ‘Allerlei’, of ‘Duitschland’. Maar ga lezen en je stuit op het ene sappige verhaal na het andere. Feitelijke verhalen, zoals nieuwsberichten over misdaden, ongelukken en rampen. Maar ook fictieve: moppen, korte verhalen, romans in afleveringen. Vaak was die fictie te vinden ‘onder de streep’, op het onderste deel van de pagina. Dit was de plek van het ‘feuilleton’, dat niet alleen vervolgverhalen omvatte, maar ook gedichten, liedjes, dialogen en wat we nu columns zouden noemen.

De zeeslang die op verschillende plaatsen in de wereld telkens verscheen, werd exemplarisch voor onbetrouwbaar nieuws.

Die streep suggereerde een stevige scheiding tussen feit en fictie. Maar er waren twee redenen om daaraan te twijfelen. Ten eerste de inhoud. Journalisten zochten de grens van het geloofwaardige op, vooral in de ‘faits divers’: tijdloze, als waar gepresenteerde verhalen over uitzonderlijke voorvallen. Het encyclopedisch woordenboek van Larousse uit 1872 somt op wat daar zoal in kon staan: zelfmoord uit liefdesverdriet, leidekkers die van de vijfde verdieping vallen, regens van sprinkhanen of padden, geheimzinnige ontvoeringen, gevallen van hondsdolheid en kannibalisme, slaapwandelen, kalveren met twee koppen, Siamese tweelingen, duizendjarige padden en een vegetarische geheelonthouder die de leeftijd van 150 bereikte.

Goedpraten

Die sterke verhalen konden een lezer doen twijfelen: is dit nieuws of nep? Maar er was nóg een reden waarom die berichten wat verdacht overkwamen: de niet-waterdichte manier waarop ze samengesteld waren. Net als nu checkten de journalisten van toen het nieuws vaak niet zelf, maar knipten en plakten ze het bij elkaar uit andere kranten. Toch wilden ze de lezers ervan overtuigen dat ze professioneel en betrouwbaar waren. Ze hadden dus een acceptabele verklaring nodig voor de momenten waarop het misging. Het moest duidelijk zijn dat de fout niet hún schuld was. Hoe pakten de journalisten dat aan?

Om te beginnen situeerden ze de problemen in een beperkte periode: de komkommertijd, de zomermaanden waarin parlementen met reces zijn en het nieuwsaanbod kleiner is. De meest courante term voor de dubieuze berichten die dan verschijnen, was zeeslang. Vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw koppelen journalisten de zeeslang – een soort monster van Loch Ness – aan de komkommertijd: het dier dat op verschillende plaatsen in de wereld telkens verscheen en verdween, en misschien wel helemaal niet bestond, wordt exemplarisch voor het onbetrouwbare nieuws dat in de slappe tijd de kolommen moet vullen.

Overigens leeft al sinds geruimen tijd de zeeslang onder een andere gedaante voort. Haar recht van bestaan ontleende ze aan den komkommertijd en deze moet in ieder geval met interessante copy gevuld worden. Natuurlijk zonder dat de duim er bij te pas komt.
(De Maasbode, 21 augustus 1937)

Typisch voor de komkommertijd noemen journalisten nieuws over bijzondere dieren, vreemde natuurverschijnselen, uitzonderlijk oude mensen, reusachtige groenten en vruchten, spelingen der natuur, bizarre uitvindingen en experimenten.

Journalisten op een zeeslangkomkommer. Cartoon in Het Volk, 24 juli 1904.

Journalisten op een zeeslangkomkommer. Cartoon in Het Volk, 24 juli 1904.

Zeeslang en komkommerbericht vielen dus in hoge mate samen met de categorie van faits divers. Door de meest dubieuze faits divers te labelen als zeeslangen en komkommers, konden journalisten missers goedpraten: zij gaven het publiek de sterke verhalen waar het om vroeg, en vermeldden erbij dat er weleens een verzinsel doorheen kon glippen. Door die jaarlijkse periode van verminderde betrouwbaarheid te benadrukken, konden journalisten volhouden dat ze de rest van het jaar betrouwbaar werk leverden.

Disclaimer

Een ander middel waarmee journalisten zich indekten tegen kritiek was de disclaimer: door hun twijfels over het waarheidsgehalte hardop uit te spreken, konden ze verantwoorden dat ze een dubieus bericht toch publiceerden. Een nieuwtje over een Amerikaanse uitvinding, een serum dat honden het vermogen om te blaffen ontneemt, eindigt met de bijsluiter:

(Om der wille van de curiositeit hebben wij het bovenstaande typisch Amerikaansche bericht opgenomen, al twijfelen we ook sterk of het geen canard is. – Red.)
(De Locomotief, 5 maart 1903)

De journalist heeft het hier over een “canard”: ook dat woord werd gebruikt voor wat journalisten nu een ‘broodje aap’ zouden noemen, maar de betekenis van canard was breder. Het kon elk onwaar bericht betreffen in elke maand, en duidt niet noodzakelijk een verhaal aan; ook een onjuist overlijdensbericht is een ‘canard’.

‘Nieuws’ met disclaimer in Rotterdamsch Nieuwsblad, 19 oktober 1894. Ook hier in de laatste zin: “’t Klinkt nogal Amerikaansch!”

‘Nieuws’ met disclaimer in Rotterdamsch Nieuwsblad, 19 oktober 1894. Ook hier in de laatste zin: “’t Klinkt nogal Amerikaansch!”

Dit “typisch Amerikaansche bericht”: als hoofdverantwoordelijken voor de verspreiding van verzinsels wezen Nederlandse journalisten buitenlandse collega’s aan. Vooral Amerikaanse. “Men weet, in Amerika doet men alles op groote schaal, ook het liegen” (Soerabaijasch Handelsblad, 12 januari 1889). De onbetrouwbaarheid van de Amerikaanse pers werd vaak verklaard uit commerciële motieven – Amerikaanse journalisten deden het voor het geld, Nederlandse natuurlijk voor de waarheid.

In de tweede helft van de twintigste eeuw maakten zeeslang en komkommer plaats voor broodje aap en urban legend. Die kregen later gezelschap van hoax en nepnieuws. Die verschuiving is meer dan een verandering in woordkeus. Ze is tekenend voor het groeiende wantrouwen in de nieuwsvoorziening.

Zeeslangen en komkommerberichten waren seizoensgebonden missers: de problemen beperkten zich tot de nieuws-luwe hondsdagen, midden in de zomer.

Een ‘broodje aap’ daarentegen was sinds de jaren zeventig een onbetrouwbaar verhaal dat je hoorde over de zwager van je tandarts, maar dat ook weleens in de krant belandde. En niet alleen in de komkommertijd. Zoals het verhaal over het echtpaar dat hun poedel meeneemt naar een Chinees restaurant en het dier tot hun ontzetting geserveerd krijgt als hoofdmaal.

Een hoax – vanaf de jaren negentig – was een typisch internetfenomeen: je moest er altijd op verdacht zijn dat iemand je via e-mail of sociale media iets wijs probeerde te maken.

Journalisten met lijmpot en schaar; op de voorgrond in een potje de zeeslang. Uit het katholieke satirische tijdschrift De Roskam, 3 september 1925.   Het bijschrift luidt: “’t Is best gegaan, Mijnheer de Hoofdredacteur. Dank zij de stormramp hebben we de zeeslang heelemaal niet noodig gehad.”

Journalisten met lijmpot en schaar; op de voorgrond in een potje de zeeslang. Uit het katholieke satirische tijdschrift De Roskam, 3 september 1925.  Het bijschrift luidt: “’t Is best gegaan, Mijnheer de Hoofdredacteur. Dank zij de stormramp hebben we de zeeslang heelemaal niet noodig gehad.”

En nu is er dus de term nepnieuws. Die is net als broodje aap en hoax niet verbonden aan een afgebakende periode op de journalistieke jaarkalender. En ook niet aan een bepaald medium: het kan over de NOS gaan, over een bericht op Twitter, of over een uitspraak van een minister (‘Ik was in de datsja van president Poetin’). Sinds de verkiezing van Trump heeft de overtuiging veld gewonnen dat álle nieuws altíjd onbetrouwbaar kan zijn. Trump heeft trouwens meer dan eens beweerd dat hij zelf de term fake news heeft bedacht. Maar dat is een broodje aap. Of een urban legend. Nepnieuws!


Gebaseerd op mijn artikel ‘Komkommers, zeeslangen, canards en faits divers. Nederlandse kranten (1850-1950) als sagenmedium’. Volkskunde nr. 3 (2017), blz. 291-318.