Over de oorsprong van allerlei woorden.

Hans Beelen en Nicoline van der Sijs

Waarom, zo vroeg een lezer van deze rubriek, ergeren we ons ‘groen en geel’, terwijl groen en geel toch heel vrolijke kleuren zijn? Voor het antwoord op deze leuke vraag moeten we terug naar de zeventiende eeuw. Sinds die tijd komt de uitdrukking ‘Mijn ogen zien (alles) groen’ of ‘Ik zie groen’ voor, in de betekenis ‘Het duizelt me, ik kan door duizeligheid geen voorwerpen en kleuren meer onderscheiden.’ De beroemde dichter en toneelschrijver Bredero noteerde in 1612: “Hoe swindelt [duizelt] my myn hooft? Myn ooghen sien al groen.”

Afgunst

Vanaf ongeveer 1700 werd in deze uitdrukking geel toegevoegd aan groen, ongetwijfeld vanwege het allitererende effect: ‘Het wordt me groen en geel voor de ogen’ (of ‘voor het gezicht’) betekende ‘Alles draait voor mijn ogen.’ Vervolgens ging men dit ook gebruiken als aanduiding van een emotionele toestand. Zo schreef H.J. Schimmel in 1870: “Overal hoorde hij den schaterenden lach (…). Het werd meester groen en geel voor de oogen.”

De kleuren groen en geel werden van oudsher in verband gebracht met de emoties afgunst, jaloezie en woede. Shakespeare beschreef in 1603 in het treurspel Othello de jaloezie bijvoorbeeld als een monster met groene ogen. Maar ook zwart werd gebruikt om afgunst mee aan te duiden. De Dordtse arts Johan van Beverwijck sprak in 1636 van de “swarte Nijt” (‘afgunst’). De jaloezie werd door geneeskundigen toegeschreven aan een teveel aan gal, die zwart of geelgroen van kleur kon zijn; hierop gaan ook zwartgallig en gal spuwen (van woede) terug.

Wilt u verder lezen? Log dan hieronder in