Per 1 februari komt prof. dr. Hans Bennis aan het roer te staan van de Nederlandse Taalunie. Hoe gaat deze straatvechter het vertrouwen terugbrengen in die zo bekritiseerde organisatie?

 

Jan Erik Grezel  

Foto: Iris Vetter   

Foto: Iris Vetter  

“Eigenlijk is de Taalunie een feestje. De ministeries stellen twaalf miljoen beschikbaar voor de Nederlandse taal en ze zeggen: ‘Meneer Bennis, kom met leuke plannen.’” Hans Bennis (65), vanaf 1 februari de nieuwe algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie, mag voorstellen doen om met twaalf miljoen euro per jaar de Nederlandse taal te bevorderen, op allerlei terreinen: in het onderwijs, in de wetenschap, in het dagelijks leven. “Natuurlijk zou het mooi zijn als we 120 miljoen te besteden hadden. Maar het budget is nu eenmaal beperkt. Dat kan wel weer beter worden onder invloed van de conjunctuur of politieke verschuivingen.”

 

Zorgen

De Nederlandse Taalunie is bij velen bekend van het Groene Boekje, dat voorschrijft hoe je Nederlandse woorden spelt. Maar het werk van de Taalunie omvat veel meer.

In 1980 sloten België en Nederland het ‘Taalunieverdrag’. Daarin spraken zij af dat zij samen (en sinds 2004 ook met Suriname) verantwoordelijk zijn voor onze taal “als instrument van maatschappelijk verkeer en als uitdrukkingsmiddel van wetenschap en letteren”. Ook “vaardigheid in het gebruik” van het Nederlands wil de Taalunie stimuleren. En “grotere bekendheid met de Nederlandse taal en letteren in het buitenland zal leiden tot meer waardering voor de Nederlandse cultuur”. Het Comité van Ministers, bestaande uit de Vlaamse en Nederlandse bewindslieden van onderwijs en cultuur, moet, samen met het bureau van de Taalunie in Den Haag, de fraaie formuleringen handen en voeten geven.

Bijna veertig jaar later zien we dat Engels de voertaal is geworden in een fors deel van het hoger onderwijs. Er zijn grote zorgen over de taalvaardigheid van jongeren, vooral bij het schrijven. De spellingwijziging van 2005, opgezet vanuit de Taalunie, stuitte op een brede boycot en ontketende bijkans een volksopstand. En het vak Nederlands in het middelbaar onderwijs zou volgens leerlingen ‘het saaiste schoolvak’ zijn. Kan Bennis het tij keren?

 

Herrie

Eerst zal Bennis orde op zaken moeten stellen. De Taalunie heeft de afgelopen jaren zwaar onder vuur gelegen. Bennis: “Het is oorlog geweest. De Taalunie heeft veel geld in eigen pr gestopt. Ik ben voor een Taalunie die minder zichtbaar is, maar wél investeert in het Nederlands. Mijn voorganger profileerde zich als pure manager die geen verstand van taal had. Hij heeft zonder veel overleg bezuinigingen over alles en iedereen heen gekieperd; vooral het onderwijs Nederlands in het buitenland moest het ontgelden. De mensen in dat veld zijn nu blij met mijn komst, omdat ik inhoudelijk ben en voor de dialoog kies. Ik heb veertig jaar lesgegeven, vijftien boeken over taal gepubliceerd en ik zat tot voor kort in talloze taalcommissies.”

 

“Van Haagse gevoeligheden heb ik geen kaas gegeten. Ik vaar zo veel mogelijk mijn eigen koers.”

Toch heeft de benoeming van Bennis vriend en vijand verbaasd. Ook Bennis zelf. “Van Haagse gevoeligheden heb ik geen kaas gegeten. Ik vaar zo veel mogelijk mijn eigen koers. Ik ga niet voor elk gummetje vragen of ik daar wel geld voor mag uitgeven. Dat doe ik liever ook niet als het om een paar ton gaat.”

Bennis, de laatste achttien jaar directeur van het Meertens Instituut (bekend geworden door de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil), is geen diplomaat. Hij geldt als tegendraads. ‘Bennis is stennis’, wordt er hier en daar gegrapt. “Ik herken me niet in dat rijmpje. Goed, ik maak een hoop herrie, omdat ik graag voor mijn mening uitkom. De wetenschap bestaat bij de gratie van ‘onenigheid’. Je zoekt gaten in een betoog. Als je het overal mee eens bent, hoef je niets meer te onderzoeken. Ik houd van het inhoudelijke dispuut en dat mag best met wat stemverheffing gepaard gaan. Maar als de wedstrijd gespeeld is, ga je samen een biertje drinken.”

 

Vertrouwen

Is het zo simpel? Bennis ondertekende een petitie tegen de bezuinigingen die de Taalunie wilde doorvoeren. Nu komt hij aan het roer van diezelfde Taalunie. Is hij niet de beroemde Ajacied die aanvoerder wordt van Feyenoord? “Zo zie ik het niet. Bezuinigingen zijn altijd vervelend, maar als ze van boven worden opgelegd, moet je met elkaar bekijken waar er efficiënter gewerkt kan worden.”

“De Taalunie én de mensen uit het veld – wetenschappers, leraren, instituten en organisaties als Onze Taal – moeten het belang van onze taal beter op de agenda krijgen. Dan zijn degenen die erover gaan ook bereid om daar meer geld voor uit te trekken. Ik moet ervoor zorgen dat de overheden en de politici geloof hebben in deze organisatie.”

 

“Ik zit er niet mee dat studenten in Nederland een deel van het curriculum in het Engels krijgen.”

“Het grootste probleem van de Taalunie is gebrek aan vertrouwen. Het veld heeft geen vertrouwen in de Taalunie (en andersom), de overheid ook niet, en zelfs binnen de organisatie is het afwezig. Iedereen zit op zijn eigen dossier en kijkt argwanend wat anderen doen. Ik wil duidelijk maken dat we een gezamenlijk doel hebben: het zo goed mogelijk onderhouden van de Nederlandse taal. De hoge ambtenaren op de ministeries hebben niet echt een idee hoe we dat moeten aanpakken. Van het Comité van Ministers, feitelijk mijn leidinggevenden, krijg ik ruimte om dat belang te behartigen.”

 

Omstreden

Een van de recente, omstreden maatregelen van de Taalunie betrof het onderwijs Nederlands in het buitenland. De belangenorganisatie IVN (de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek) stond op haar achterste benen toen de Taalunie vorig jaar besloot om bijvoorbeeld de subsidie aan het Erasmus Taalcentrum in Jakarta stop te zetten. In dat centrum hebben sinds de oprichting in 1981 duizenden jonge Indonesiërs Nederlands geleerd. Het centrum is een exponent van het Nederlands buiten onze landsgrenzen. Maar waarom zouden we dat soort onderwijs vanuit Nederland moeten financieren, vragen ambtenaren en politieke partijen zich af. Bennis: “Als je je moedertaal belangrijk vindt en je wilt dat Nederland en Vlaanderen in het buitenland zichtbaar zijn, dan moet je ook proberen om overal ter wereld je taal mee te geven aan iedereen die daarin geïnteresseerd is. Die mensen kunnen dan onze literatuur in het Nederlands lezen, en in het zakenleven Nederlands gebruiken. Ik vind het raar om daar níét in te investeren.”

 

Taalthermometer

De Taalunie moet volgens Bennis mensen verbinden voor projecten die passen in het taalbeleid. “Neem de toename van het Engels in het Nederlands. Zijn de klachten daarover terecht? Ik heb als directeur van het Meertens Instituut met de Taalunie en de universiteit van Gent een klein project opgezet om een ‘taalthermometer’ te ontwikkelen. Dat is een meetinstrument dat je in de samenleving steekt om ‘de staat van het Nederlands’ vast te stellen. Hoe staat het nu eigenlijk met het gebruik van het Turks op het schoolplein? Of het Engels in de boardroom? We kunnen van de thermometer onder andere aflezen in welke mate het gebruik van Engels over een langer lopende periode toeneemt. Dat is beleidsondersteunend onderzoek: het maakt zichtbaar hoe groot bijvoorbeeld de toename van het Engels nu werkelijk is.”

Een adviesraad van de Taalunie was in een rapport kritisch over het gebruik van het Engels in het hoger onderwijs. Het niveau van het Engels van de docenten laat te wensen over. En studenten krijgen bijvoorbeeld hun vakken in het Engels, maar zitten later in een Nederlandstalige beroepspraktijk en kennen de Nederlandse vaktermen niet. Wat gaat Bennis daaraan doen? “Ik heb altijd gepleit voor diversiteit. In heel veel landen hebben mensen drie talen, zoals in Kenia: hun thuistaal, de nationale taal en de internationale taal; dat is nu het Engels. Ik zit er niet mee dat studenten in Nederland een deel van het curriculum in het Engels krijgen. Dat Engels is belangrijke bagage voor de rest van hun leven. We gaan echter een grens over als we bijvoorbeeld het vak Nederlands voor Nederlandse studenten in het Engels aanbieden.”

 

De Nederlandse Taalunie: schakel tussen overheid en veld

De Nederlandse Taalunie stoelt op een verdrag tussen België, Nederland en Suriname. Daarin staat dat de overheden de belangen van het Nederlands willen behartigen. Wat betekent dat concreet? De overheden stellen financiën beschikbaar die de Taalunie aanwendt voor onderzoek en projecten die van belang zijn voor het Nederlands als dé taal van de wetenschap, het onderwijs en het maatschappelijk verkeer. Ook steunt de Taalunie met haar gelden het onderwijs Nederlands in het buitenland.

Het beleid van de Taalunie wordt bepaald door het Comité van Ministers: de bewindslieden van onderwijs en cultuur van Vlaanderen en Nederland. Adviezen worden gegeven door de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, en de Interparlementaire Commissie (bestaande uit Nederlandse en Vlaamse Kamerleden) controleert het beleid. De voorbereiding en uitvoering van dat beleid wordt gedaan door het Algemeen Secretariaat in Den Haag.

Hans Bennis: “De Taalunie is de schakel tussen overheid en politiek aan de ene kant – zeg maar ‘Den Haag’ en ‘Brussel’ – en het veld. Dat veld bestaat uit wetenschappers, docenten Nederlands, allerlei instituten en eigenlijk iedereen die Nederlands spreekt. Wij allemaal dus.”

 

Nederengels

“Meertaligheid is het uitgangspunt, maar er moet wel een gezond evenwicht zijn. En áls er in het Engels gedoceerd wordt, mag dat best in het Nederengels. De Engelse th uitspreken alsof je de Britse vorstin bent? Sodemieter op! Dat kan ik niet eens, want ik ben een Amsterdammer. Ik heb geruime tijd in Amerika gewoond en gewerkt. Mijn Engels is uitstekend, maar voor een Amerikaan ben ik meteen als Nederlander herkenbaar. Dat is toch prima! Ik cultiveer graag mijn Nederengels. Als ik in Amsterdam naar de kroeg ga, zet ik mijn Amsterdams aan, dat schept meteen een band. Maar dat doe ik natuurlijk niet in Rotterdam – Rotterdams zit trouwens ook niet in mijn repertoire.”

“Je gebruikt op een creatieve manier het repertoire aan talen dat je tot je beschikking hebt. Zo geef je vorm aan je identiteit en communiceer je goed. Dat gaat in de praktijk  soepel en het is dus niet nodig om dat in regels vast te leggen. Veel gesprekken óver taal worden helaas vertroebeld door normatieve discussies: het is goed of fout.”

 

Uniform

Het is duidelijk dat Bennis niet de kampioen van ‘de standaard’ is. Zijn overgang van het Meertens Instituut, dat ‘leeft’ van taaldiversiteit, naar de Taalunie, het bolwerk van taalnormen en uniformiteit in de spelling, is ook daarom opzienbarend. “De diversiteit van het Nederlands is een groot goed. Dát mag de Taalunie ook uitdragen. Het Nederlands is niet in de eerste plaats de standaardtaal; het is een scala van taalvariëteiten, historisch, sociaal en geografisch. Hoewel die allemaal deel uitmaken van het Nederlands, hebben we besloten dat er één is die we in het nationale verkeer hanteren. Dat noemen we de standaardtaal. Je moet daarbij een zekere uniformiteit nastreven.”

 

Hans Bennis: “De diversiteit van het Nederlands is een groot goed.” (Foto: Iris Vetter)   

Hans Bennis: “De diversiteit van het Nederlands is een groot goed.” (Foto: Iris Vetter)  

“Hoe ver dat moet gaan, daarover kun je twisten. Het lijkt erop dat de spreeknorm – zeker in de uitspraak – tegenwoordig minder strak en uniform wordt gehanteerd voor het Standaardnederlands. Vroeger kon Twan Huys echt geen programma op de tv presenteren. Dan moest hij eerst zijn Limburgse accent afleren. Maar tegenwoordig is er meer tolerantie ten aanzien van de spreektaalvariëteiten. Dat schaadt niemand, zolang we elkaar gewoon verstaan. Dus je kunt op tv niet plat Limburgs gaan ‘kallen’, want dan verliest de zender z’n kijkers. Het moet binnen een bepaalde bandbreedte blijven.”

 

Onlogisch

Intussen is eenvormige spelling natuurlijk wel het uithangbord van de Taalunie. Bennis: “Ik vind spelling oninteressant. Zolang ik erover mag beslissen, komt er geen spellingwijziging. Ik ga anderzijds de wonderlijke en onlogische spelling die we nu hebben, ook niet verdedigen. Die hanteer ik trouwens op mijn eigen manier. Bij alles wat ik publiceer, eis ik van de uitgever dat ik geen tussen-n hoef te gebruiken. Die tussen-n-regel is onzinnig.”

Belangrijker dan de regels vindt Bennis de achtergronden van spellingproblemen. “Waardoor maakt íédereen fouten bij de werkwoordspelling? Doordat je daarbij je grammaticale kennis moet inschakelen. Dat is onnatuurlijk. Je spelt van nature op woordbeeld. Trein met ei zit als woordbeeld in je hoofd. Daarom is het onverstandig om voor te stellen het onderscheid tussen ij en ei, en ook dat tussen au en ou, op te heffen, zoals Maurice de Hond onlangs deed. Maar bij werkwoorden heb je vaak twee vormen: wordt en word, vindt en vind. Ik heb onderzoek gedaan naar de fouten die daarin gemaakt worden. De foute spelling hij vind komt relatief veel vaker voor dan hij word, en ik wordt vaker dan ik vindt. Dat komt doordat wordt en vind als woordbeeld veel frequenter zijn dan word en vindt. Vinden is een ‘ik-woord’ en worden een ‘hij-woord’. Dat is allemaal vrij ingewikkeld. En daarom zeg ik: we moeten wat toleranter zijn als het om spelling gaat. Laten we niet iedereen beoordelen op de manier waarop hij de d’s en t’s zet.”

 

“Zolang ik erover mag beslissen, komt er geen spellingwijziging.”

Bennis blikt in de toekomst: “Mijn doel is dat mensen weer plezier in taal hebben. Als het beter gaat met onze taal, is mijn missie geslaagd. Misschien krijg ik daarvoor meer middelen. Dat zou mooi zijn. Maar stel je voor dat er na de verkiezingen een PVV’er minister van Onderwijs wordt. Dan wordt het beleid: ‘eigen taal eerst’. Als die minister zegt: ‘Meneer Bennis, hier is 120 miljoen, dat geld is er omdat we er een hoop vluchtelingen uit geschopt hebben’, dan kom ik in ernstige gewetensproblemen.”

 

Prof. dr. Hans Bennis

Hans Bennis is neerlandicus, taalkundige en bestuurder. Zijn specialisme is syntaxis: grammaticale structuren. Na een academische carrière aan de Universiteit Leiden kwam hij achttien jaar geleden naar het zieltogende Meertens Instituut, dat zich richt op de verscheidenheid in de Nederlandse taal en cultuur. “Het bestaansrecht van het instituut stond ter discussie. Het is mij gelukt om er een bloeiende organisatie van te maken. Dat hoop ik met de Taalunie ook te bereiken.” Hij is tot zijn benoeming bij de Taalunie ook hoogleraar Taalvariatie aan de Universiteit van Amsterdam.

Bennis wil de negatieve gevoelens over taal tegengaan. “Alsof het allemaal maar slechter wordt. Ik zie dat jong en oud veel lol aan taal kunnen beleven. Kijk hoeveel mensen genieten van taalspelletjes.”

“Voor mijn onderzoekje naar ‘Korterlands’ (verkorte taal, bijvoorbeeld in WhatsApp- en Twitterberichten) heb ik een project gedaan met middelbare scholieren waarin ze uit hun mobiele telefoons afkortingen verzamelden en ordenden. Met die afkortingen gingen ze gedichten schrijven. Ze vonden het gewéldig. En passant leerden ze een database opzetten. Maar ze waren vooral met veel plezier met taal bezig. Ik zag ook dat ze heel vaardig en creatief waren in de WhatsApp-communicatie.”