Over de oorsprong van allerlei woorden.

Hans Beelen en Nicoline van der Sijs

In 2014 bracht Gospel Recordings een cd uit om het evangelie uit te leggen aan “criminelen, verslaafden, daklozen, asielzoekers, mensen met een dubbelleven en (bezoekers van) prostituees”, kortom: “mensen aan de zelfkant van de samenleving”. Deze ‘zelfkant’ wordt in het woordenboek van Koenen uit 1911 weinig vleiend omschreven als “schorrimorrie, janhagel of jongens van de vlakte”. Kennelijk had de lexicograaf vooral het oog op jeugdige mannelijke criminelen. Waar komt die beladen benaming zelfkant vandaan?

Wilt u verder lezen? Log dan hieronder in