De taalprof

Kleding heb je aan, om of op. Een broek heb je áán, een das heb je óm en een hoed heb je óp. Soms heb je een keuze: een mantel kun je aanhebben als je een jas bedoelt, maar je kunt hem omhebben als het om een cape gaat. Je kunt ook wel iets ínhebben (zoals oorbellen), maar dat noem je dan meestal geen kleding.

Wilt u verder lezen? Log dan hieronder in