In de rubriek ‘Woordsprong’ beschrijven Hans Beelen en Nicoline van der Sijs maandelijks de oorsprong van enkele woorden.

Hans Beelen en Nicoline van der Sijs

Zwavel is volgens Van Dale een “lichtgele brandbare vaste stof”. Die eigenschap van brandbaarheid wordt al in de Bijbel beschreven: in het Oude Testament (Genesis 19:24) verwoest God de steden Sodom en Gomorra door “zwavel en vuur”, en in het Nieuwe Testament (Openbaring 20:10) wordt de duivel in een “poel van vuur en zwavel” gegooid. Dit scheikundige element geniet dan ook geen goede reputatie. Het woord zwavel is etymologisch verwant met zwoel (in de betekenis ‘benauwd’) en met het vooral in dialecten nog bekende werkwoord zwelen (‘droog hooi met de vork bijeenzamelen’). De oorspronkelijke betekenis van dit werkwoord is ‘doen drogen, verdorren, smeulen’.

Wilt u verder lezen? Log dan hieronder in