Wat voor taal gebruik je wanneer? Wat is het effect van de woorden die je kiest? Om dit soort vragen draaide het tijdens het 31ste tweejaarlijkse congres van Onze Taal, dat op 7 oktober werd gehouden in het Beatrix Theater in Utrecht. De volgende pagina’s geven een indruk van wat de 1500 enthousiaste bezoekers die dag allemaal te zien en te horen kregen.

Fransje Broekema en Jan Erik Grezel

Foto: Eelkje Colmjon

Foto: Eelkje Colmjon

"Móést je mee?” Presentator Wim Daniëls heeft tijdens het congres van Onze Taal de jongste aanwezige op het podium gehaald. Kaat (15) uit Amsterdam staat opeens voor een bomvolle zaal. Ze antwoordt rustig: “Ik ben met mijn opa en oma meegekomen. Ik vind het heel leuk, zeg maar.” Daniëls vraagt naar de inhoud van het vak Nederlands op school. “Ik hou erg van lezen.” Voor haar spontane optreden krijgt Kaat twee exemplaren van Waar komt suikerspin vandaan?, het nieuwste boek van Onze Taal, gemaakt in samenwerking met het Instituut voor de Nederlandse Taal.

Het publiek in het Utrechtse Beatrix Theater is grofweg vijftig plus. “Maar niet louter ‘vijftienhonderd tinten grijs’”, grapt bestuursvoorzitter Livia Verstegen in haar vakkundige welkomstwoord. “En dat Onze Taal voor het eerst een vrouwelijke voorzitter heeft én een vrouwelijke directeur, laat zien dat de organisatie met haar tijd meegaat.” De toon is gezet: dit wordt een ontspannen, informatief, onderhoudend congres.

Hogedrukpan-college

Het is al halverwege de middag als de generaal van Onze Taal kordaat het toneel op stapt. Peter-Arno Coppen, quasi-streng na een hilarisch optreden van Japke-d. Bouma over ‘jeukwoorden’: “Genoeg gelachen. Waar hebben we het over?” In twintig minuten vertelt Coppen – een gezaghebbende stem in de neerlandistiek – wat de beste tactiek is bij twistgesprekken over taal. Wat domineert de discussie over goed of fout taalgebruik: het hoofd, het hart of de onderbuik? Hoe het ook zij, “Bij een levende taal hoort een levendige discussie!”

“Ik vond Coppen ijzersterk”, zegt Mark Omvlee (37) na afloop op de informatiemarkt in de Expozaal. “Een hogedrukpan-college.” Omvlee, in het dagelijks leven operazanger, vertaler en professioneel voorlezer, voelt zich hier thuis. “Het is toch eigenlijk een club van ‘taalnerds’.” Zijn dat vooral verbeteraars? “We houden allemaal van taal en we verbeteren wat we niet goed vinden. Bij boeken die ik moet voorlezen, kan ik het niet laten om fouten te corrigeren.” Hij is hier samen met Guido Goudswaard (40): “Mark ging gisteren met mij mee naar een concert van Nick Cave. De deal was dat ik meeging naar dit congres. Dat is geen straf, hoor. Ik ben al jaren lid. Als schrijver van een methode aardrijkskunde voor het vmbo ben ik veel met taal bezig.”

Losse pols

’s Ochtends heeft Hans Bennis, algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie, in de eerste voordracht een oordeel van het publiek gevraagd over de stelling “Ik vind het belangrijk dat kinderen Nederlands beheersen.” Dat lokt meteen een interruptie uit: “Moet dat niet zijn ‘hét Nederlands’?” Bennis gaat de discussie uit de weg. Hij laat geluidsfragmenten horen, van paleistaal tot Poldernederlands: “Is dit Nederlands?” De vragen prikkelen tot reflectie.

Tijdens de entr’actes heeft Wim Daniëls onderonsjes met het publiek. Zijn presentatie uit de losse pols zorgt voor een prettige sfeer. Hij werpt ook serieuze vragen op: “Waarom zou hullie niet kunnen?”

De Vlaamse schrijfster en Onze Taal-columniste Ann De Craemer geeft een persoonlijke invulling aan het thema ‘Met andere woorden’. Op haar Gentse basisschool mocht zij vroeger geen ‘rode’ Vlaamse woorden gebruiken, zoals nonkel. Dat moest het ‘groene’ Nederlandse oom zijn. Tegenwoordig is het Vlaams juist een handelsmerk van schrijvers als Dimitri Verhulst en Griet Op de Beeck. “Ze vinden ‘dat Vlaams’ vaak zelfs ‘hartstikke schattig’, en van zo’n opmerking krijg ik het, toegegeven, op de heupen, omdat het nog steeds wat paternalistisch klinkt.”

Jaap Toorenaar, bedenker van reclameslogans als ‘NRC Handelsblad. Slijpsteen voor de geest’, houdt de zaal voor hoe “fopwoorden” werken. “Wij worden belazerd door onze taal. Dyslexie? Er zijn altijd mensen geweest die niet zo goed kunnen lezen. Door het woord wordt het een aandoening.” Iemand uit de zaal roept: “Symptoomdiagnose.” Toorenaar redeneert rustig verder en wordt midden in een zin afgevlagd door de vriendelijke maar strak leidende Daniëls.

Lezers

Tijd voor een onnavolgbare taalgoochelaar. Cabaretier Ronald Snijders tovert absurde woordspelingen en geniale taalgrappen uit de hoge hoed. Niet na te vertellen, je moet erbij geweest zijn. Eén voorbeeldje dan van zijn “neologismen die het niet gaan redden” uit zijn boek De alfabetweter: “Benefietkeeper: keeper die voor het goede doel staat.”

In de lunchpauze staan tussen de standjes op de infomarkt twee ‘taaltafels’ klaar: hier kunnen leden hun mening geven over het blad en de organisatie. Redactielid Jaap de Jong, hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media: “Het congres is dé gelegenheid om ‘lezers in het wild’ te ontmoeten. Wat missen ze in het tijdschrift, wat kan beter?” Misschien niet zo veel, want het loopt nog niet storm. “Wees vooral niet te puristisch”, waarschuwt een lezer. Directeur Vibeke Roeper hoort aan de verenigingstafel dat de mensen zich meer abonnee dan lid voelen. “En waarom zijn er eigenlijk geen regionale afdelingen?”, wil iemand weten.

"Taal is voor ons een hobby. We komen hier ons hart ophalen."

Willie Sijbrandij-Mos (67), oud-docente Duits, loopt stralend rond. “Heerlijk hier. Ik ben nu eenmaal verslaafd aan taal.” Drie docenten – middelbare leeftijd – van een mbo-school uit Tilburg statafelen tussen de kraampjes. “Taal is voor ons een hobby. We komen hier ons hart ophalen. Binnen de opleiding vormgeving waar wij werken, kunnen we maar heel beperkt iets met het vak Nederlands. We concentreren ons op praktische zaken waar leerlingen wat aan hebben, zoals presentatietechniek. Ze hebben een laag zelfbeeld, omdat ze altijd over spelling zijn gestruikeld. Dat hebben ze nooit goed kunnen leren. Maar presenteren krijgen ze wel onder de knie.”

Brandstof Na de pauze toont NRC-columniste Japke-d. Bouma de zaal een greep uit haar vermakelijke verzameling kantoorjargon. Wat betekent nu eigenlijk “laaghangend fruit”, “een punt op de horizon” of “uit je comfortzone komen”? Alles is herkenbaar, het publiek lacht. Maar bij de kritische luisteraar blijft de vraag hangen hoe erg deze woorden en beelden eigenlijk zijn. En waardoor zijn ze zo populair?

Aan Frits Spits, die zijn radioprogramma De Taalstaat vandaag rechtstreeks vanaf het congres uitzendt, wordt de Visser-Neerlandiaprijs van het Algemeen- Nederlands Verbond uitgereikt vanwege zijn inzet voor de Nederlandse taal. In zijn dankrede na de laudatio van René Appel bekent hij: “Ik zou mezelf nooit die prijs gegeven hebben. Alles wat ik doe, kan altijd beter. Twijfel is de beste brandstof.” Spits praat vanuit zijn gevoel. “Ik houd gewoon van die taal. En taal is ons houvast.” De prijs van 15.000 euro heeft hij bestemd voor een onderzoek naar reële metaforen voor dementie.

 “Praten we altijd over hetzelfde?” Hoogleraar wetenschapscommunicatie en wiskundige Ionica Smeets neemt amusante misverstanden onder de loep. Voor de één is de x een variabele, voor de ander een kusje. Ze laat ook zien hoe je ervoor kunt zorgen dat een boodschap ‘binnenkomt’. Al is laklaag voor een nieuw soort asfalt een goede term, als je kiest voor antirimpelcrème voor asfalt, blijft het begrip beter hangen. Smeets’ advies: “Stel vast of de gebruikte woorden voor iedereen hetzelfde betekenen.”

Vibeke Roeper presenteert zich als nieuwe directeur en kondigt de Utrechtse burgemeester Jan van Zanen aan. Hé, die staat niet in het programmaboekje. Dan weet je wel hoe laat het is: scheidend directeur Peter Smulders wordt geridderd. Hij is er zichtbaar door overvallen.

Aan prinses Laurentien, beschermvrouwe van het genootschap, de eer om het congres af te sluiten. Ze benadrukt het belang van gesprekken vis-à-vis in een samenleving waarin ‘conversatie’ steeds meer via sociale media verloopt. En zij vraagt zich hardop af, in de lijn van al die sprekers over mooi en lelijk, goed en fout, groen en rood, norm en realiteit, alfabetweters en verbeteraars: “Durf je dat, elkaar aanspreken op taalgebruik? Ik sta soms met mijn oren te flappen, ehh, flapperen, klapperen, of hoe noem je dat?” Ook zij kan het niet laten en verbetert bijvoorbeeld haar kinderen én hun vriendjes. “Ooit moet ik toch een opvolger hebben als beschermvrouwe van Onze Taal.”