In Vlaanderen leerde je dat het niet autostrade is, maar autosnelweg, en niet zetel maar fauteuil. Inmiddels is het tij gekeerd, zo legde Ann De Craemer, columniste van De Morgen en Onze Taal, in Utrecht uit.

Redactie Onze Taal

Foto: Eelkje Colmjon

Foto: Eelkje Colmjon

De ‘andere woorden’ uit de titel van het congres waren voor de Vlaamse columniste Ann De Craemer ooit vooral Néderlandse woorden: woorden uit Nederland. Als kind kreeg ze op school twee lijsten voorgeschoteld: een met rode woorden waarboven ‘Vlaams’ stond, en een met groene woorden waarboven ‘Nederlands’ stond. De Craemer: “De groene lijst moesten we uit het hoofd leren, zo droeg de juf ons op. De Vlaamse woorden moesten we voorgoed vergeten, want die waren fout, fout, fout! Het is niet autostrade, maar autosnelweg. Niet zetel, maar fauteuil. Niet nonkel, maar oom. Oom, dacht ik? Zou mijn nonkel André, wanneer hij zijn tweede Westmalle Tripel aan zijn lippen zette, het niet uitproesten wanneer ik hem oom André noemde? Ik was pas twaalf, maar had toen al een vreemd gevoel bij een lijst die het taalidioom waarmee ik was opgegroeid verketterde. Als niemand in Vlaanderen ‘oom’ zegt, waarom zouden wij dat dan moeten doen – alleen omdat de Nederlanders dat deden?”

Ambetanterik

Toen De Craemer in 2000 aan de Universiteit Gent Germaanse talen ging studeren, ontdekte ze tot haar verbazing dat Vlaamse woorden daar nog steeds in de ban werden gedaan. “Veel van onze professoren dweepten met Nederland, dat ze als het gidsland zagen, op maatschappelijk en ook op taalkundig vlak. Sommigen van hen spraken zelfs met een Nederlands accent, en raadden ons aan dat ook te doen.”

“Professoren dweepten met Nederland, dat ze als gidsland zagen, ook op taalkundig vlak.”

En ook elf jaar later, toen De Craemer haar eerste roman publiceerde bij de toen nog bestaande Vlaamse tak van uitgeverij De Bezige Bij, kreeg ze weer te maken met mensen die haar taal wilden ontdoen van Vlaamse woorden. Ambetanterik wilde de Nederlandse corrector veranderen in lastpak, zetel in fauteuil, zot in zijn kop in tureluurs. De Craemer weigerde. “Uiteraard streef ik ernaar mijn boeken in een voor iedereen zo begrijpelijk mogelijk Standaardnederlands te schrijven. Maar als ik de keuze moet maken tussen de Noord-Nederlandse taalnorm en authenticiteit, dan kies ik voor het laatste.”

Gele Boekje

Intussen is er een kentering zichtbaar. Zo verscheen in 2015 het Gele Boekje van De Standaard, dat later werd gepubliceerd onder de titel Typisch Vlaams. De Craemer: “Het ging hier nog steeds om een ‘zeg niet … maar wel …’ -lijst, maar niet alles wat Vlaams was, was per definitie fout. Vlamingen laten zich niet langer vertellen dat het Vlaams een minderwaardige variant van het Nederlands is, en ik meen dat ook nog maar weinig Nederlanders daar zo over denken. De vele Vlaamse woorden in het werk van Dimitri Verhulst zijn precies een van de redenen waarom hij in Nederland zo omarmd wordt. Hetzelfde geldt voor Griet Op de Beeck, die haar zinnen doorspekt met ge’s en gij’s, maar geen Nederlander die daarover valt.”

“Gelukkig maar”, aldus De Craemer. “Vlamingen hebben het nooit over ‘pinnen’ of ‘jam’, maar niemand die daar in een boek van een Nederlander bezwaren tegen maakt. Ik vind die verschillen tussen onze varianten van het Nederlands net een enorme rijkdom: hoe meer woorden we in onze taal ontdekken, hoe blijer we daarom moeten zijn.”