Dichters zijn als de dood voor clichés, voor gemeenplaatsen. Om die te omzeilen gebruiken ze stijlfiguren, of zoals dichter Ingmar Heytze ze ook wel noemt: ‘dichtplaatsen’. In deze rubriek gaat hij er maandelijks naar op zoek.

Ingmar Heytze

Een van de unieke eigenschappen van poëzie is het woordje ik. Dat mag nooit gelijk worden gesteld aan de persoon van de dichter, zelfs niet als het hele gedicht in hoofdletters schreeuwt dat het onmogelijk naar iemand anders zou kunnen verwijzen. “De maker van een goed gedicht bedoelt er altijd een ander mee, ook als hij zichzelf bedoelt”, schrijft Gerrit Komrij in Poëzie is geluk.

Als de dichter een ‘ik’ opvoert die hij zelf onmogelijk kan zijn, halen sommige lezers opgelucht adem: hij heeft het werkelijk niet over zichzelf, want hij ís geen … (oude boxer, kapotte televisie, blauwbilgorgel). Die opluchting is echter vals. Alles wat een dichter tot ‘ik’ uitroept, is iets wat hij zelf ook had kunnen of willen zijn. En hoe dan ook wordt hij het een beetje, door zijn gedicht te schrijven, veilig door die twee letters, dat muurtje waarachter precies één dichter zich kan verstoppen.

De bijpassende dichtplaats zou je ‘de theatrale wijs’ kunnen noemen: de dichter spreekt ‘in character’, als een acteur die een rol speelt: een persoon, een wezen of zelfs een ding. Erik Menkveld was er een meester in. Hij kroop onder meer in de huid van de enige echte “ware kilo”:

Keurig liggen glanzen heb ik hier zoals het een brave
platina-iridium staaf betaamt, onder idioot precies
gecontroleerde condities en niet minder dan drie
stolpen in een luchtdicht afgesloten kluis.

Wellicht is de uitspraak van Komrij omkeerbaar. Dichters hebben het altijd over zichzelf, ook als ze duidelijk waarneembaar poseren als een ander. De laatste regel van ‘Haar laatste brief’ van Martinus Nijhoff luidt: “mijn bijna-jongensborst, mijn haar van goud”. Mustafa Stitou, die op recente foto’s al zijn vingers nog heeft, schrijft: “Houd mijn hand vast. / Ik mis een pink.” Thomas Möhlmann schrijft aan het einde van ‘Ik was een hond’, waarin de ‘ik’ verder is veranderd in een teakhouten tafel, een sofa, een jongen, een worm, een tandwiel in een kettingkast, en vele, vele andere dingen, want het is een lang gedicht:

We leven nog, alles wat je denkt, alles wat
je wilt, kunnen we wat mij betreft nu nog worden.

We? Jazeker. U en ik, schrijver en lezer.