Ton van der Wouden en Olga van Marion
 
Onze Taal staat deze maand stil bij het zeventiende-eeuwse Nederlands van de grote schrijver Vondel. De aanleiding is dat op 1 januari een oude traditie herleeft: Vondels drama Gijsbrecht van Aemstel wordt na jaren weer opgevoerd in de Amsterdamse Stadsschouwburg. In het decembernummer van Onze Taal een vraaggesprek met Laurens Spoor, de bewerker van het toneelstuk. Ter inspiratie hier alvast een aantal tips om uw eigen zeventiende-eeuwse gedicht te maken (met prijsvraag).

  1. Gebruik ghy en u
    Gebruik geen jij en jou, maar ghy en u, ook als u intiem met iemand bent. Als Gijsbrecht ziet dat zijn vrouw Badeloch verdrietig is, vraagt hij: “Wat is het dat u smart?” En zij op haar beurt roept opgelucht: “Nu ghy behouden zijt is al mijn leet vergeten.”
     
  2. Let op klemtoon en metrum
    Houd u strikt aan het metrum van afwisselende lettergrepen zónder en mét klemtoon: “Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten / Erbarremt over my, en mijn benaeuwde vesten.”
    Als het voor dat metrum nodig is om lettergrepen toe te voegen of weg te laten, doe dat dan gerust. Vondel verlengde het woord erbarmt rustig tot erbarremt, zoals we het nu nog steeds kunnen horen zeggen. Andersom kon hij vrede verkorten tot vree en bede tot bee (zie ook tip 4).
    Komt u metrisch nog steeds niet goed uit, gebruik dan bijvoorbeeld een dubbele ontkenning met en: “De stercke en groote God, Die nimmermeer en slaept.” Zeg geruststellend als het geen goed moment is om straf uit te delen: “ ’t en is geen straffens tijd”. Ook andere soorten dubbele ontkenning zijn toegestaan, bijvoorbeeld voor een stoere man: “Hy vreesde Herkles knods noch Samsons vuisten niet.”
     
  3. Spel vrijmoedig
    Spel de woorden zoals het uitkomt: er is niks mis met de d in knods, of met de h in terugh, en volks kunt u ook schrijven als volx. Waarom benauwd als u er ook benaeuwd van kunt maken, en my met y kan heel goed naast mijn met ij staan. Soms zit het verschil in een klein hoekje: voor gracht schrijf je graft, roekeloos is reuckeloos en het Sparen verwijst naar het Spaarne, of zelfs de stad waar die doorheen loopt: Haarlem. Lange a’s worden gespeld als ae (“Ghy ziet, hoe daer een schip, het Zeepaerd, leit vol rijs”) en de ch en de k meestal als gh en ck: “Ick vlughte langs den dijck, gelijck een hollend ros.”
     
  4. Let op het rijm
    Het rijm is net zo heilig als het metrum, en daar mogen zinsbouw en woordvorm best af en toe aan geofferd worden: “Wy zijn by ’t klooster weer, daer Willebrord in vree / Met al de broeders woont, en stort zijn avondbee” in plaats van ‘We zijn weer bij het klooster, waar Willebrord met alle broeders in vrede woont en zijn avondgebeden houdt.’
     
  5. Gebruik naamvallen
    Gebruik naamvallen als het zo uitkomt: “mijn volx gebed” betekent niet ‘mijn vulgaire bede’ maar ‘de bede van mijn volk’. Iets vergelijkbaars vinden we in “van aller dieren vorst” voor ‘vorst van alle dieren’. Badeloch roept “Wat hoor ick hier al leeds!” als ze ‘wat een ellende allemaal’ bedoelt.
     
  6. Pas op met ende/en en van/door
    Gebruik geen ende als u en bedoelt: in de eerste toneelstukken van Vondel kan dat nog wel, maar in de tijd van de Gijsbrecht (1637) geldt dat inmiddels als ouderwets. Van in de betekenis ‘door’ kan nog wél: wanneer Badeloch over haar droom vertelt waarin haar nicht Machtelt is verschenen, zegt ze dat ze “van het spoock bedrogen” is.
     
  7. Allitereer
    Hoe meer alliteratie, hoe mooier. Spreek zonder zorgen over “blancke borsten”, een “zuivre ziel”, “zoete zorgh”, “benauwt en bang” en “mishandel en misbruicke”; zeg dat iemand “zuchte zwaer” en roep: “de vyand heeft de vesten!” Probeer uw zinnen net zo mooi te maken als deze: “De liefde tot zijn land is yeder aengeboren.”
     
  8. Weid uit
    Schrijf beeldend en weid uit: zo zijn de schutters van Amsterdam “een deel der burgery met hellebaerd en sabelen en spiets [dat] de poort en muur bewaert”. Als Badeloch schrikt, roept ze: “Mijn haeren staen te bergh, mijn harte klopt van schrick!”
     
  9. Herhaal
    Herhaal uw woorden zo vaak mogelijk en met behulp van een beetje variatie: zeg niet simpelweg ‘ijzer’, maar “yzer en stael”, niet ‘de wapens’ maar “de dissels en de bijlen”, niet ‘gekerm’, maar “gekarm en jammerlijck misbaer”, en niet ‘zwijgen’ maar “reppen noch roeren”.
     
  10. Maak nieuwe woorden
    Verzin gerust een nieuw woord als u er eentje nodig hebt; Vondel was niet tevreden met theater en bedacht voor ons schouwburg, en soms gebruikte hij vrouwentimmer voor ‘harem’ of ‘vrouwenvertrek’ (ook al omdat het zo lekker rijmt op immer en nimmer).


Prijsvraag
Wilt u na deze tips zelf aan de slag? En bent u tevreden over uw eigen zeventiende-eeuwse gedicht? Stuur het ons toe en ding mee naar een exemplaar van het onlangs verschenen zeventiende-eeuwse zeemanswoordenboek Seeman. Inzenden: voor 20 december naar vondel@onzetaal.nl, of Redactie Onze Taal, Raamweg 1a, 2596 HL Den Haag.