De haken en ogen van de praeteritio

Jaap de Jong en Annemarie van Velsen

'Ik zal zeker niet beweren dat ...', 'Ik zal u niet vervelen met ...': in politiek Den Haag gebruikt iedereen deze retorische truc. Je zegt dat je het ergens niet over wilt hebben, maar intussen doe je het toch. 'Praeteritio' heet deze uitgekookte techniek officieel, en er zitten veel voordelen aan. Maar werkt het altijd? En hoe kun je je ertegen wapenen?

Hoe graag wil het CDA regeren? Geert Wilders weet het, maar hoe zegt hij het? "Ik zeg niet dat ze hun moeder verkopen om te gaan regeren. Maar ze hebben er wel heel veel voor over om in een kabinet te komen", aldus Wilders in De Telegraaf van 22 februari 2010. Ook Mark Rutte kan met deze truc uit de voeten. Op 4 november 2006 – hij is dan nog gewoon partijleider van de VVD – richt hij zó zijn pijlen op de PvdA:

In de afgelopen 15 jaar is dat hele beroepsonderwijs veranderd. En er is het idee ingeslopen dat iedereen – en ik zal niet zo flauw zijn te zeggen dat het de bewindslieden van de PvdA waren, want dat is te gemakkelijk [cursivering van ons - JdJ en AvV] – dat iedereen in Nederland eerst een paar jaar basisonderwijs moet krijgen en pas daarna een vak kan leren. Dat blijkt niet te werken.

Rutte deelt in een razendsnel uitgesproken bijzin de zwartepiet uit aan de partijgenoten van Wouter Bos, maar neemt die meteen weer terug. Bos gnuift, maar komt er niet tussen.
Voor Rutte is dit geen toevalstreffer: taalobservator Jan Kuitenbrouwer hoorde in Ruttes inleiding bij de algemene politieke beschouwingen van 2009 een boeiende variant van deze zelfde techniek. Rutte zegt dat de verleiding groot is om de verkiezingsbeloften van het CDA en de PvdA nog eens kritisch langs te lopen:

Ik zou dan de premier kunnen bevragen op de Bosbelasting. Ik zou [en dan volgen nóg twee dingen die hij zou kunnen doen – JdJ en AvV]. Dat wil ik vandaag echter niet doen. Ik wil vandaag de concrete plannen van de coalitie bespreken, voorzover die er zijn.

Rutte, die tegenwoordig als premier van een – hoe zeg je dat – 'gedoogsteund' kabinet met een minimale meerderheid een positievere toon moet aanslaan, koos hier voor een retorische omweg. In elk geval Jan Kuitenbrouwer is niet dol op deze techniek. In zijn vorig jaar verschenen boek De woorden van Wilders & hoe ze werken schrijft hij: "Zeggen wat je niet gaat zeggen. De retorica heeft er ongetwijfeld een naam voor, maar ik zou zeggen: 'beter van niet'."

Aandacht

Inderdaad is deze techniek al eeuwen bekend in de retorica, en zeker: sinds de Oudheid zijn er namen voor. Wonderlijk veel en uiteenlopende namen zelfs: occultatio, paraleipsis en negation, om er een paar te noemen. Maar de meestgekozen aanduiding is wel praeteritio. Letterlijk betekent praeteritio 'voorbijgaan'. En de definitie van het antieke retoricahandboek Rhetorica ad Herennium is nog steeds een van de geschiktste: "Praeteritio vindt plaats wanneer we zeggen dat we iets overslaan, niet weten of weigeren te zeggen, wat we precies op dat moment wél noemen."
In de Haagse politiek mag de praeteritio dan vrij vaak voorkomen, verder zie je haar niet héél veel – zeker in vergelijking met andere stijlfiguren, zoals de overdrijving en de retorische vraag. Maar wie erop let, kan de praeteritio ook aantreffen in columns, huiselijke discussies en in toespraken. En dan valt op hoeveel je met deze techniek kunt bewerkstelligen.
Om te beginnen is de praeteritio heel geschikt om op een terloopse manier ergens de aandacht op te vestigen. Zo ongeveer alle door ons geraadpleegde bronnen – om precies te zijn 117 retorische encyclopedieën, studies en adviesboeken – wijzen hierop. Wie zegt: 'Ze is getalenteerd, om niet te zeggen steenrijk', vestigt via de geijkte om niet te zeggen-formule juist extra aandacht op de daaropvolgende kwalificatie: "steenrijk", een hier wat roddelachtig aandoende kwalificatie, waardoor met terugwerkende kracht dat "getalenteerd" ook een iets andere betekenis krijgt.

De rest van het artikel kunt u lezen in het februari/maartnummer van Onze Taal.

Lid worden