Is accentloos vreemde talen spreken mogelijk?

Gaston Dorren

Niet de grammatica of de woordenschat, maar het accent ‘ontmaskert’ meestal de gevorderde spreker van een tweede taal. Maar waar de vreemde tongval er bij velen vanaf druipt, is die bij sommigen vrijwel onhoorbaar. Hoe doen die sommigen dat? En is het voor iedereen weggelegd?


De ene Nederlander spreekt zijn vreemde talen beter dan de andere, maar altijd hoor je toch een Nederlands accent. Hoe komt dat? Doordat dat Nederlands er bij ons nu eenmaal in gebakken zit? Misschien zelfs wel door de stand van onze mond, die gewend is Nederlandse klanken voort te brengen? Het blijkt anders te zitten. Het heeft te maken met de manier waarop we lúísteren. Want als we vreemde talen horen spreken, blijken we die te horen met een Nederlands accent – ook als de persoon die ons toespreekt dat helemaal niet heeft.

Het hangt allemaal samen met de manier waarop we spraak verwerken in ons hoofd. Dat gaat heel anders dan bij betekenisloze geluiden. Wie daaraan twijfelt, moet maar eens proberen een gesprek in het Nederlands te beluisteren en níét mee te krijgen waar het over gaat. Onmogelijk. Elke poging om te negeren wat er meegedeeld wordt, faalt jammerlijk. We zijn domweg niet in staat om spraak als een hersenloze microfoon aan te horen, zoals we dat met muziek, ritselende bladeren of murmelende beekjes wél kunnen. Het is geen toeval dat bij verkiezingen van het ‘mooiste woord’ de winnaars vrijwel altijd een tikje ouderwets of verheven (struweel, desalniettemin), emotioneel geladen (liefde, pappa) of sterk regionaal getint zijn (het West-Vlaamse wrikkelgat, het Groningse snoetjeknovveln). Niet de welluidende klanken, maar de prettige associaties doen het ’m. De ‘mooiste’ woorden zijn feitelijk de fijnste woorden.

Soep van spraakgeluiden

Talen waar we helemaal niets van verstaan, kunnen we nog wel min of meer als betekenisloze geluiden beluisteren, al zullen we er wel degelijk informatie aan ontlenen, bijvoorbeeld over de emoties en de onderlinge relatie van de sprekers. Maar zodra we een vreemde taal beginnen te leren, is het afgelopen met het objectieve waarnemen. Dan stellen we ons spraakfilter in werking en horen we alleen nog wat we willen horen: zo vertrouwd mogelijke klanken en een begrijpelijke betekenis.

Dat we ‘horen wat we willen horen’ komt doordat we er erg goed in zijn om orde te scheppen in geluidschaos. Objectief waargenomen is spraak namelijk een rommeltje. Geen twee mensen praten hetzelfde, geen mens spreekt een woord twee keer exact hetzelfde uit. En als we het nog een beetje fundamenteler bekijken: wat zijn in die soep van spraakgeluiden eigenlijk de ingrediënten die ter zake doen?

Met dat laatste probleem hebben we ooit allemaal geworsteld, en allemaal hebben we het ruim voor onze eerste schooldag opgelost. We hebben het gebabbel van de volwassenen om ons heen een tijdlang onbevangen aangehoord. Vervolgens hebben we weloverwogen bepaald welke klankverschillen van belang zijn en welke louter variaties op een thema zijn. Het verschil tussen de l en de r is van belang, hebben we bijvoorbeeld geconcludeerd, want de woorden meel en meer betekenen systematisch twee verschillende dingen. Weliswaar lijken de klinkers in beide woorden ook nogal te verschillen (meel klinkt bijna als ‘mee-ul’), maar na gedegen analyse – we hebben daar in box en buggy tenslotte alle tijd voor – hebben we besloten dat dit variaties op een thema zijn: er is één ee-klank, geen twee verschillende.

De rest van dit artikel vindt u in het novembernummer van Onze Taal.


Lid worden