Langere versie van het interview bij Gaston Dorrens artikel 'Gespierde taal'

Joyce van den Bogaard (1971) slist, al is dat tijdens het telefonische interview niet duidelijk te horen. Haarzelf valt het wel scherp op als andere mensen moeite hebben met de s.

"Ik ben begonnen met slissen zodra ik leerde praten. Als kind ben ik daarom uitvoerig onderzocht. Waarschijnlijk is mijn tong iets langer dan gemiddeld. Ik kan gemakkelijk bij het puntje van mijn neus, en op babyfoto's hangt mijn tongpunt een beetje uit mijn mond."

"Ik heb jaren logopedie gehad, op de lagere school en ook via de tandarts, die meende dat door het slissen mijn voortanden naar voren gingen staan. Het was een nare ervaring, op het barbaarse af. Eén oefening was dat ik een Tucje in mijn mond moest verkruimelen en dan 'sinaasappelsap' zeggen zonder kruimels te spuwen. Dat lukte natuurlijk niet. En ik kreeg lipversterkingsoefeningen, met veerunsters. Ik moest dan met mijn lippen gewichtjes tegenhouden. Omdat ik goed kon leren, hoefde ik voor logopedie niet na te blijven, maar werd ik tijdens Nederlandse les uit de klas gehaald. Verschrikkelijk vond ik dat, want ik was toch al een buitenbeentje, met mijn slissen en mijn hoge punten."

"Ik sprak in die tijd trouwens ook nog zachtjes en binnensmonds, omdat ik zo onzeker was over mijn praten. Dat was niet zo vreemd: er werden veel grappen en opmerkingen over gemaakt. En mijn vader had er een handje van om me na te apen, op een manier die ik heel naar vond. Ik ben rond mijn elfde gestopt met logopedie en heb maar geaccepteerd dat ik nu eenmaal slis. Ik heb wel geleerd, hoor, hoe ik de s eigenlijk zou moeten zeggen. Maar als ik dat deed, voelde dat heel onnatuurlijk, alsof ik hele rare capriolen met mijn tong moest maken."

"Nu ik volwassen ben en meer zelfvertrouwen heb, zit ik er niet meer zo mee. Ik krijg er ook geen opmerkingen meer over, en ik slis ook minder dan vroeger. Maar toch: al heb ik een baan als communicatiemedewerker, ik zou niet snel een functie willen waarin ik veel moet praten, ook in het openbaar. Het blijft toch een beetje mijn zwakke punt."

"Slissen valt mij nog steeds erg op. Als ik Rob de Nijs hoor praten, bijvoorbeeld. Of Marja van Bijsterveldt, de minister. Die doet het zoals ik, quasi-onopvallend. Ik hoor het niet alleen aan haar, ik zie het ook aan de stand van haar mond. Het leidt mij enorm af van wát ze zegt."

"In ons gezin was ik de enige die sliste, maar mijn dochter van negen doet het ook. Ik denk dat dat kopieergedrag is. Enerzijds denk ik dat ik haar beter kan begrijpen. Anderzijds wil ik mijn emoties niet op haar projecteren. Ik zie gelukkig dat zij er geen last van heeft: ze bulkt van het zelfvertrouwen. Hoe belangrijk is dat slissen dan nog? Ze zal wel logopedie krijgen, denk ik, maar dat schijnen ze tegenwoordig pas te doen na het wisselen. En ik ga ervan uit dat het er bij logopedie tegenwoordig anders aan toegaat dan in mijn jeugd. Mijn tweede kind is pas een half jaar, dus die praat nog niet. Maar ik zie wel dat zijn tongetje tussen zijn lippen uitsteekt. Dus ik heb zo'n vermoeden dat hij mijn anatomie geërfd heeft, en wie weet mijn manier van praten ..."

Voor actuele signalementen over taal zie ook het blog van Gaston Dorren.