Schaatstaal op tv

Kees Sluys

Of de olympische winterspelen in Vancouver in februari voor de Nederlandse schaatsers veel goud zullen opleveren, is nog de vraag. Aan onze schaatscommentatoren zal het niet liggen. Hun seizoensopening was zonder meer veelbelovend.

Wie half november de speciale uitzending van Holland Sport rond Ard Schenk heeft bekeken (ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag verscheen een prachtige biografie), zag daarin ook fraaie opnamen van het legendarische voor-het-eerst-onder-de-twee-minuten-duel dat de blonde god met Kees Verkerk op de 1500 meter uitvocht. Die race uit 1971 is nog steeds een mijlpaal in de schaatshistorie. De supertijden van 1.58.7 en 1.58.9 werden gerealiseerd op het supergladde, razendsnelle 'olie-ijs' van Davos.

Olie-ijs. Met zijn tegenhanger 'fondantijs' is het typisch een begrip uit het pre-schaatshal-tijdperk. Net zoals de 'sneeuwrand' die binnen- en buitenbaan scheidden. De lichte touché in de laatste buitenbocht die Verkerk zich permitteerde – heel mooi te zien op de beelden – was wellicht de oorzaak van diens nipte, anno 2009 nog steeds betreurde verlies.

De sneeuwrand is al lang geleden vervangen door de "kille plastic blokjes die ongelukken veroorzaken bij schaatsers die erop stappen", zoals schaatskenner en -publicist Max Dohle noteerde in zijn boek Over één nacht ijs. Een schaatsalfabet (2004). Blokjes die worden geplaatst door de zogeheten 'blokjeslegger', een anonieme functionaris die soms even één of twee seconden, in gebukte houding en niet zelden blokjes rápend, op de achtergrond in beeld komt. Dat gebeurt meestal nadat alle ritten van een afstand zijn verreden, op het moment dat Mart Smeets dan wel Dione de Graaf met hun gasten beginnen aan de tv-analyse. Want behalve de tv-commentatoren, die tijdens de wedstrijden te horen zijn, zijn er ook de analisten, die na afloop de races nog eens uitvoerig doornemen.
Versleten formuleringen

In Dohles vaak frivole taalgebruik is de blokjeslegger "de putjesschepper van de ijsvloer". Van de heren commentatoren zal deze onopvallende dienaar bij de Grote Schaatsevenementen nimmer aandacht krijgen. Het gaat hun puur om de races. En passant wisselt men allerlei wetenswaardigheden uit over rijders, rijdsters en coaches, over procedures die de vaderlandse afvaardiging naar de olympische winterspelen in goede banen moeten leiden en, mocht er aanleiding toe zijn, over de kwaliteit van de ijsvloer.

Daartoe heeft men een zeer specifiek vocabulaire ontwikkeld, dat zich kenmerkt door een ware vracht aan schaatsclichés. In zijn schaatsalfabet legde Dohle onder de c van clichés een indrukwekkende hoeveelheid van die versleten formuleringen vast. Ik doe een bescheiden greep:

- De opening is goed.
- Wat is die 6.28.00 waard?
- Die snelle opening kan hem weleens de kop kosten.
- Kan ze nog versnellen?
- Kijken waar het schip strandt.
- Dit is optisch gezien een andere rit.
- Laten we niet te vroeg juichen.
- Nou kan hij mooi naar hem toe rijden.
- Even het handje erbij.
- Het is goed, maar is het goed genoeg?
- Technisch ziet het er goed uit.
- Meteen goed vertrokken.
- We pakken het schema van … erbij.
- Hij heeft het voordeel van de kruising.
- Hij heeft de lat te hoog gelegd.

Moeiteloos associeert de liefhebber dit soort taal met de stemmen van tv-schaatscommentatoren Herbert Dijkstra en Frank Snoeks. Maar hoe is het vijf jaar na Dohles boeiende inventarisatie met de schaatstaal van de heren commentatoren gesteld? Hoe karakteristiek zijn de bijdragen van Martin Hersman, die een seizoen of vijf geleden ook achter de commentaarmicrofoon plaatsnam? Worden de aloude clichés nog veelvuldig gebruikt? Komen er nieuwe uitdrukkingen en begrippen in omloop?

In het weekend van de nationale afstandskampioenschappen, die van 30 oktober tot en met 1 november 2009 werden gehouden, heb ik mijn oor eens goed te luisteren gelegd. Ik volg het commentaar in min of meer chronologische volgorde, signaleer gebruikte clichés uit Dohles boek, maar ook nieuwe uitdrukkingen, die niet in Dohles lijst voorkomen.

Slecht ritme

Toch spijtig dat olie-ijs een woord uit vervlogen tijden is geworden. Het alternatief is wel erg mager. "Moeten we concluderen dat het heel snel ijs is?", vroeg Herbert Dijkstra aan collega Martin Hersman na de eerste rit op de 500 meter van de vrouwen. Dat was inderdaad het geval.

Voordat de echte kanonnen aan de start kwamen, stond de beste tijd op 40.05. "Daar ligt de lat", aldus Dijkstra (al wat oudere uitdrukking). Een slechte eerste 100 meter van een der deelneemsters, veroorzaakt door een foutslag, inspireerde hem tot de vaststelling dat de bewuste rijdster zich had "verslikt" (nieuw).

"Technisch schortte er wel wat aan de rit van Van Riessen", merkte hij even later op (nieuw), terwijl een andere schaatster volgens collega Hersman kampte met een "slecht ritme in de laatste binnenbocht" (nieuw).

De rest van dit artikel kunt u lezen in het januarinummer van Onze Taal.


Lid worden