Marc van Oostendorp

Volgens Noam Chomsky zitten wij opgesloten in ons eigen hoofd. Wie de gisteren in Nederland uitgebrachte film Is the man who is tall happy? bekijkt, merkt hoe vreemd die gedachte in eerste instantie misschien is. Maar in tweede instantie merk je dat de gedachte niet alleen een interessante kijk geeft op taal, maar ook op de manier waarop we denken en op de werkelijkheid om ons heen.

De meeste mensen denken dat we taal gebruiken om met elkaar over de werkelijkheid te communiceren. Chomsky heeft twee bezwaren tegen die gedachte: taal gaat niet over de werkelijkheid, en we gebruiken taal niet vooral om mee te communiceren.

Waarom weerspiegelt taal de werkelijkheid niet? Omdat de manier waarop we de wereld beschrijven, vooral wordt bepaald door hoe we dénken. In de wei staat een object, te weten een boom, en wij drukken die werkelijkheid uit door onze keel te schrapen en de zin ‘In de wei staat een boom’ te zeggen. Als je erover nadenkt, bestaat er volgens Chomsky in ‘de werkelijkheid’ niet zoiets als een 'boom', of een 'wei'. Dat zijn allebei menselijke begrippen, manieren waarop we de werkelijkheid nu eenmaal indelen.

Je kunt bijvoorbeeld, legt Chomsky in de film uit, geen goede wetenschappelijke definitie geven van wat precies ‘een boom’ is. Door het dna te testen kun je bijvoorbeeld niet vaststellen of we vandaag te maken hebben met dezelfde boom als we gisteren gezien hebben: het kan om een kloon gaan, en zelfs om een kloon die we op dezelfde plaats hebben gezet als de oorspronkelijke boom nadat we die laatste hebben omgehakt. En die nieuwe boom kan er hetzelfde uitzien.

Aan alle objectieve wetenschappelijke criteria voor ‘dezelfde boom’ is voldaan en toch spreken we in het gewone taalgebruik nog steeds niet over dezelfde boom. Omgekeerd: als er een heks zou komen die de boom zou veranderen in een prins, dan zouden we die prins nog wel zien als ‘eigenlijk’ die boom. Een kind snapt dat, en ieder mens in iedere cultuur. Wat een boom is, wordt veel meer bepaald door de vreemde manier waarop de mens denkt dan door enige eigenschap van de werkelijkheid.

Natuurlijk is er wel een relatie tussen de klomp houtsplinters die daar tussen de grassprieten staat en ons idee van een boom, maar die relatie is indirect. Bomen zitten vooral in ons hoofd – en sommige dingen die we om ons heen zien passen goed in het vakje ‘boom’ dat we nu eenmaal in ons hoofd hebben gevormd.

We kunnen de wereld dus niet zien zoals ze ‘echt’ is. En de taal is volgens Chomsky bovendien niet vooral bedoeld om over dat soort dingen te praten. Volgens hem is taal waarschijnlijk in eerste instantie ontstaan om erin te kunnen denken. Pas toen de genen die het mogelijk maakten in taal te denken aansloegen – de mensen die dit konden, kregen meer kinderen – zouden groepjes gaandeweg de taal zijn gaan ‘uiten’ en zo zijn gaan communiceren met elkaar. Maar nog steeds gebruiken we volgens Chomsky de taal het meest in ons hoofd, als we bijvoorbeeld over straat lopen en nadenken.

Je zou kunnen denken dat het een wat eenzaam beeld geeft van de mens: opgesloten in ons eigen hoofd, zonder de werkelijkheid buiten ons echt te kunnen begrijpen, en terwijl we vooral tegen onszelf praten. Maar tegelijkertijd laat Chomsky in de film zien dat menselijk contact wel degelijk mogelijk is. Hij doet het in het klein – door zijn nerveuze interviewer op zijn gemak te stellen als die een Engels woord niet kan uitspreken – en in het groot, door warme herinneringen op te halen aan zijn vrouw, met wie hij meer dan 60 jaar samen is geweest voor ze enkele jaren geleden stierf, nog voordat de film werd opgenomen. Sinds die tijd is Chomsky overigens opnieuw getrouwd, want, zei hij in een interview, “het leven is zonder de liefde maar weinig waard”. En voor die liefde heb je mogelijk geen taal nodig.