Wat is juist: ‘Hij zwoer/zwoor/zweerde dat hij het nooit meer zou doen’?

Juist is: ‘Hij zwoer dat hij het nooit meer zou doen.’

Dat je zo gemakkelijk in de war raakt bij dit werkwoord, komt doordat het Nederlands twee werkwoorden zweren kent, met verschillende vormen voor de verleden tijd.

Zweren ‘plechtig beloven’

Het werkwoord zweren in de betekenis ‘de eed afleggen, plechtig beloven’ heeft als verledentijdsvormen zwoer-gezworen. Bijvoorbeeld:

  • Zij zwoer een dure eed.
  • Ik zwoer op het graf van mijn vader dat ik de waarheid sprak.
  • De edelen hadden trouw gezworen aan de koning. 

Zweren ‘etteren’

Zweren in de betekenis ‘etteren’ (bijvoorbeeld van een wond), heeft twee verledentijdsvormen: zwoor-gezworen en (minder gebruikelijk) zweerde-gezweerd. De zwakke vervoeging zweerde-gezweerd is voor sommigen minder juist; vooral het voltooid deelwoord gezweerd wordt als fout gezien. Een paar voorbeelden met zweren ‘etteren’:

  • Doordat de wond op zijn been zwoor, kreeg hij koorts.
  • Doordat de wond op zijn been zweerde, kreeg hij koorts. [minder gebruikelijk]
  • Doordat de wond had gezworen, duurde het herstel langer. 
  • Doordat de wond had gezweerd, duurde het herstel langer. [minder gebruikelijk]