Wat is juist: 'Hij zwoer/zwoor/zweerde dat hij het nooit meer zou doen'?

Juist is: 'Hij zwoer dat hij het nooit meer zou doen.'

Dat je zo gemakkelijk in de war raakt bij dit werkwoord, komt doordat het Nederlands twee werkwoorden zweren kent, met verschillende vormen voor de verleden tijd. Allereerst is er het werkwoord zweren in de betekenis 'de eed afleggen, beloven'. De verledentijdsvorm hiervan is zwoer. 'Zij zwoer een dure eed' en 'Ik zwoer op het graf van mijn vader dat ik de waarheid sprak' zijn daarom juist.

Daarnaast bestaat zweren in de betekenis 'etteren' (bijvoorbeeld van een wond), met twee verledentijdsvormen: zweerde en zwoor. Dus: 'Doordat de wond op zijn been zwoor/zweerde, kon hij niet gaan zwemmen.' Zwoor en zweerde zijn gelijkwaardige varianten.

Het voltooid deelwoord van beide werkwoorden is gezworen: 'Hij heeft gezworen dat hij het nooit meer zou doen' en 'Doordat de wond gezworen had, duurde het herstel langer.'