Waar komt de uitdrukking dat is vaste prik vandaan?

 

De zegswijze dat is vaste prik betekent: 'dat gebeurt met regelmaat, daar kun je de klok op gelijkzetten'.

In het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) staat: “Een prik was voorheen de ingeprikte punt (of het kerfje) op de kerfstok die belastinggaarders gebruikten bij de verponding, dat wil zeggen het schatten van het bedrag (in ponden) dat iemand moest betalen. Daaruit ontwikkelde zich de betekenis 'bedrag, prijs in het algemeen' en vandaar weer: 'vaste hoeveelheid, taks'.” Later is de voorspelbaarheid de boventoon gaan voeren; 'Dat is vaste prik' kan van elke gewoonte gezegd worden.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) vermeldt vaste prik ook, eveneens met de uitleg van de kerfstok: “Stok waarop door middel van groote en kleine kerven enz. het belastbaar vermogen der ingezetenen werd aangewezen.” Een kerfstok was volgens het WNT daarnaast “een hulpmiddel tot het aanteekenen en onthouden, ook, zoo noodig, bewijzen van winkel- of herbergschulden”. Op de stok werd door middel van insnijdingen de waarde van de schuld uitgedrukt; dat konden grote en kleine kerven zijn, of hele en halve kerven, of andere tekens, zoals kruisjes en prikken ('ingeprikte punten'). Vaak ging het om een stel van twee (bijvoorbeeld uit één stuk hout gespleten) latjes. Het ene latje hield de winkelier of herbergier, en het andere de klant. Telkens wanneer er een schuld moest worden aangetekend, werden de latjes tegen elkaar gepast, en werd op beide tegelijk hetzelfde merk ingesneden. Dit werd ook wel 'een dubbele kerfstok' genoemd. Van deze kerfstok is de zegswijze iets op je kerfstok hebben afgeleid: dit sloeg oorspronkelijk op een uitstaande schuld, en ging later '(in het algemeen) ergens schuldig aan zijn' betekenen. Ook iets op eigen houtje doen gaat mogelijk terug op het gebruik van de kerfstok.