Waar komt de uitdrukking: van de prins geen kwaad weten vandaan?

 

Van de prins geen kwaad weten betekent: 'onschuldig zijn, je van geen kwaad bewust zijn, niet weten dat wat je deed of zei eigenlijk niet kan of hoort'. Vaak heeft deze uitdrukking de bijbetekenis dat iemand zich argelozer en onschuldiger voordoet dan hij is – wie van de prins geen kwaad weet, doet dus een beetje alsof. Dat geldt uiteraard helemaal voor de variant doen alsof je van de prins geen kwaad weet: dit wil zeggen dat iemand zéker minder braaf is dan hij zich voordoet.

Met de prins in deze uitdrukking wordt vermoedelijk een stadhouder uit het huis van Oranje bedoeld. Welke stadhouder het was, is jammer genoeg niet bekend. Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) vermoedt dat de uitdrukking eraan herinnert dat het gevaarlijk was om kwaad te spreken van deze machtige persoon. Hoe van de prins geen kwaad weten precies zijn huidige betekenis heeft gekregen, is helaas onduidelijk.

In het boek Den Vermakelyken Avanturier, ofte de wispelturige en niet min wonderlyke levens-loop van Mirandor van Nicolaas Heinsius uit 1695 komt een variant voor in de beschrijving van een eerlijk persoon: “Een eerlyk man, die, als men seid, van God geen quaad weet.” En in het spreekwoordenboek van Harrebomée komt de volgende zegswijze voor: 'Hij slacht Sulleman, die van den drommel geen kwaad wist.' Sulleman betekent 'sul, sukkel'; het is een voor de grap gevormde eigennaam. De drommel was een aanduiding voor de duivel. Kwaad spreken van de prins, God en de duivel werd waarschijnlijk als iets roekeloos gezien. Als je in je hart wel iets op ze had aan te merken (wat zeker bij de duivel voor de hand ligt), kon je maar beter doen alsof dat niet zo was. Wellicht is dat de oorsprong van van de prins geen kwaad weten, en de ondertoon van 'huichelen', 'je gezagsgetrouwer en braver voordoen dan je bent', die deze uitdrukking heeft.

In De oorsprong en uitlegging van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der vaderlandsche moedertaal van Carolus Tuinman (1726) komt van de prins geen kwaad zeggen voor: “Ik ben bly, om dat ik van de Prins geen quaad gezegt heb. Dit is overgenomen van den beruchten Broêr Kornelis, die na ’t uitbraaken van zyn dulle gal tegen den Prins van Oranje op den predikstoel, uit vreeze dus van toon veranderde.” Broeder Kornelis was een rooms-katholieke prediker die in de preekstoel kritiek zou hebben geuit op de prins, maar toen ineens bang werd en daar (niet erg waarheidsgetrouw en een beetje huichelachtig) aan toevoegde: 'Ik ben blij dat ik van de prins geen kwaad gezegd heb.' Of de uitspraak van broeder Kornelis werkelijk ten grondslag ligt aan van de prins geen kwaad weten, is zeer de vraag – alleen K. ter Laan verwijst naar de uitleg van Carolus Tuinman in zijn Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen