Waar komt de uitdrukking te pas en te onpas vandaan en wat wordt ermee bedoeld?

Te pas en te onpas betekent 'telkens weer, bij iedere gelegenheid'. Vaak klinkt er ook ergernis in door. In een zin als 'Marjo komt te pas en te onpas binnenlopen' wordt bedoeld dat de genoemde persoon in de ogen van de spreker te vaak en waarschijnlijk ook op ongelegen momenten langskomt.

Volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) betekent te pas hier 'op de juiste tijd' en is te onpas het tegenovergestelde: 'op een ongelegen moment'. Pas betekende in het Middelnederlands al 'tijdstip'. Die betekenis ontstond via betekenisoverdracht van de afstand die afgelegd wordt bij het doen van een pas (een stap) op de tijd die daarvoor nodig is.

In de zegswijze van pas komen betekent pas eveneens 'tijdstip'. Als iets van pas komt, staat het precies op het moment dat je het nodig hebt tot je beschikking. Een vergelijkbare uitdrukking is dat komt in zijn kraam te pas, dat letterlijk betekende 'dat kan hij goed gebruiken in zijn (markt)kraam' en daarna de figuurlijke betekenis 'dat komt hem goed uit' kreeg – vaak met negatieve bijklank ('dat komt die snoodaard goed uit'). In dat geeft geen pas ('dat is onfatsoenlijk, dat hoort niet') heeft pas de betekenis 'gunstige gelegenheid'.

Pas kan ook '(goede) plaats' betekenen. Van deze betekenis is sprake in er (niet) aan te pas komen. In bijvoorbeeld 'Er moesten twee tankautospuiten aan te pas komen om de brand onder controle te krijgen' waren de tankautospuiten letterlijk 'goed op zijn plaats', dus 'hard nodig'. Er niet aan te pas komen betekent 'geen kans krijgen om mee te doen, niets goeds kunnen bijdragen', zoals in 'De Oranje-spits kwam er helaas niet aan te pas.'