Waar komen roken als een ketter en vloeken als een ketter vandaan en wat wordt ermee bedoeld?

Roken als een ketter betekent 'heel veel roken', 'roken als een schoorsteen' en vloeken als een ketter betekent 'heel veel vloeken', 'grof in de mond zijn'. 

Het woord ketter is afgeleid van de Katharen, de benaming van een Franse elfde- en twaalfde-eeuwse religieuze gemeenschap. Later heeft ketter een ruimere betekenis gekregen: 'gelovige die afwijkt van de heersende, als rechtzinnig erkende leer'. Ketters waren dus buitenstaanders die zondigden tegen de geldende opvattingen en met wie men daarom niet geassocieerd wilde worden. Zo schrijft het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT, deel VII,1, 1926): “Ketters gaan voor boos en kwaad ('zedelijk slecht, verdorven'), gewetenloos, onzedelijk door”. Daarom zijn er uitdrukkingen ontstaan als vloeken als een ketter en roken als een ketter, maar ook zegswijzen met andere woorden waarmee men een verachte persoon (of veracht dier) aanduidde: roken als een baviaan, vloeken als een bootwerker/dragonder/ketellapper en zuipen/drinken als een tempelier/kalenderbroeder. Kalenderbroeders waren gelovigen (geestelijken en leken) die op de eerste dag van elke maand bijeenkwamen om te bidden voor de zielen van overleden bloedverwanten. Deze bijeenkomsten zouden later ontaard zijn in zuippartijen.

Er wordt weleens beweerd dat de zegswijze roken als een ketter direct verwijst naar verbrandingen van Katharen in het middeleeuwse Frankrijk, maar dat klopt hoogstwaarschijnlijk niet. Als een ketter heeft in vloeken/zweren als een ketter en liegen als een ketter een versterkende functie gekregen op grond van de algemene negatieve betekenis van ketter. Bovendien zijn eten als een ketter en smoren/roken als een ketter pas eeuwen na de Middeleeuwen onstaan.