Waar komt de zegswijze op rozen zitten vandaan?

Wie op rozen zit, heeft het goed voor elkaar: hij zit in een gunstige of aangename positie.

Deze zegswijze gaat volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) terug op het feit dat het in de Oudheid en de Middeleeuwen als een grote luxe werd gezien als er een laag rozenblaadjes op de vloer lag. Ook sliepen rijken soms op een bed van rozenblaadjes – wat ongetwijfeld comfortabeler was dan op bedden van stro.

F.A. Stoett vermeldt meer smeuïge details: "Bij feestelijke gelegenheden, o.a. bij het huwelijk, worden voor de jonggetrouwden bloemen gestrooid, als zinnebeeld van den voorspoed, dien men hun op hunnen levensweg toewenscht. Vergelijk ook de gewoonte van sommige vorsten in de oudheid, om op rozenbedden te slapen (...). Cleopatra liet bij een gastmaal den vloer een meter hoog met rozen bedekken. Nero liet bij een zwelgpartij rozen op de hoofden der gasten regenen (...)."

In het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) staat op rozen gaan, treden, wandelen ("een aangenamen levensweg bewandelen, in voorspoed en geluk leven, voorspoedig, gelukkig zijn"). Op rozen zitten is jonger; deze variant komt voor het eerst voor in de tiende druk van Van Dale uit 1976.