Waar komt iemand/iets op de hak nemen vandaan?

 

Als je iemand of iets op de hak neemt, drijf je er de spot mee. Volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) betekent het ook 'op een geestige manier kritiek uitoefenen op iets of iemand'.

De herkomst van deze uitdrukking is onzeker. F.A. Stoett legt een verband met het lichaamsdeel de hak; het zou oorspronkelijk gaan om 'iemand beentje lichten' – 'iemand laten struikelen' dus. Ook het Junior Spreekwoordenboek van Van Dale (2001) houdt deze mogelijkheid open om op de hak nemen te verklaren: “Daarbij draai je één been met je hak naar de tegenstander toe, waarna je die tegenstander dan over dat been probeert te laten vallen door je hiel (= hak) op te tillen.”

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft bij iemand op de hak nemen de betekenis “hem voor den gek houden, in het ootje nemen, er in laten loopen” – deze uitdrukking werd vroeger dus net iets anders gebruikt. Het WNT vermoedt dat hak hier de stam van het werkwoord hakken is en de figuurlijke betekenis 'vijandige bejegening, bitse uitval, scherp gezegde' heeft. Je kunt immers ook op iemand (zitten te) hakken. Het WNT is echter allerminst zeker van deze uitleg: “Wellicht heeft men hier ook met een geheel ander woord hak te doen.”

Je kunt ook iemand een hak zetten; dan probeer je iemand beet te nemen of nadeel te berokkenen. Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek vermeldt dat hak in deze zegswijze wellicht van hakken in de betekenis 'snijden' is afgeleid; iemand een hak zetten betekende dan aanvankelijk 'iemand pijn doen' en van daaruit 'iemand schade berokkenen'.