Waar komt nogal wiedes vandaan?

Nogal wiedes betekent 'dat is toch vanzelfsprekend', 'dat snapt toch iedereen'. Volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) is de ondertoon vaak: wat stom van je dat je dat niet meteen begrijpt.

De herkomst van wiedes in deze uitdrukking is helaas onzeker. Misschien is het een verkorting van het Middelnederlandse zinnetje ic wiete des ('ik weet het'). Wieten was destijds een variant van weten, en het kon worden gecombineerd met een tweede naamval (des is de tweede naamval van het lidwoord de).

Wiedes is voor het eerst in 1897 op schrift aangetroffen, maar vormvarianten als wiebes, widas, wiedensch, widus en wieties zijn ouder. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) is het mogelijk ontleend aan het Duits-Bargoense woord witsch, wittisch ('eenvoudig, dom'). Het WNT zegt verder dat de betekenis 'dom' in de loop van de tijd veranderd kan zijn in 'voor de hand liggend'. Het WNT oppert daarnaast dat het Duitse tussenwerpsel witsch (dat een snelle beweging aanduidde, zoals we nu 'woep!', 'hup!' of 'floep!' gebruiken) van invloed is geweest. Dit tussenwerpsel zou dan zelfstandiger gebruikt zijn, en zo de betekenis 'iets wat meteen te snappen is', 'iets wat vanzelfsprekend is' hebben gekregen.