Waar komt niet goed snik zijn vandaan en wat wordt ermee bedoeld?

Als van iemand gezegd wordt dat hij niet goed snik is, wil dat zeggen dat hij gek is: een mafkees en/of een sukkel.

De precieze herkomst van deze uitdrukking is niet duidelijk. Snik is vermoedelijk verwant met snugger (‘slim, bijdehand’) en met dialectwoorden als snokker, snukker en het Engelse snug ‘ordelijk, behaaglijk’. Hoe deze verwantschap precies zit, is echter niet duidelijk. In elk geval heeft snik in deze uitdrukking niets te maken met snikken (‘huilen’). Het Etymologisch Woordenboek van Van Dale (1997) merkt op dat snugger en snik (in niet goed snik) behoren tot een groep woorden die met sn beginnen en de grondbetekenis ‘snijdend, scherp’ hebben. Dan zou niet (goed) snik eigenlijk iets betekenen als ‘niet scherp van verstand’.

Niet snik zijn, niet recht snik zijn, niet volkomen snik zijn en niet goed snik zijn komen voor sinds de negentiende eeuw. In het Nieuws van den dag: kleine courant stond in 1870: “De moeder kon spoedig naar hare dochter terugkeeren, ofschoon beiden toch ook ‘niet snik’ schijnen te zijn en door de politie in het oog gehouden worden.” Het Rotterdamsch nieuwsblad schreef in 1894: “De omstanders keken elkaar aan, een hunner bracht zijn wijsvinger naar het voorhoofd. - Die is niet goed snik!”

Synoniemen van deze uitdrukking zijn niet goed bij z’n hoofd/verstand zijn en niet goed wijs zijn (wijs betekent hier ‘bij zijn volle verstand’).

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft nog een synoniem: niet recht begraasd zijn, wat letterlijk iets betekent als ‘niet helemaal goed met gras begroeid zijn’. Goed/recht begraasd werd bijvoorbeeld gezegd van een weiland met mooi gras. Niet goed begraasd kwam vroeger kennelijk ook weleens voor in de figuurlijke betekenis ‘niet goed bij zijn hoofd’.