Welke lidwoorden bestaan er in het Nederlands?

In het Nederlands bestaan er drie lidwoorden: de bepaalde lidwoorden de en het en het onbepaald lidwoord een.

Lidwoorden staan voor een zelfstandig naamwoord, of voor woorden die als zelfstandig naamwoord gebruikt worden zoals een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord. Tussen het lidwoord en het woord waar het bij hoort, kunnen een of meer andere woorden staan, zoals bijvoeglijke naamwoorden en telwoorden.

Enkele voorbeelden:

  • De vrouw stond in het winderige bushokje te wachten.
  • Zij werd het wachten beu. (het werkwoord wachten wordt hier gebruikt als zelfstandig naamwoord)
  • Een vertraagde bus was wel het laatste waar ze op zat te wachten. (het bijvoeglijk naamwoord laatste wordt hier gebruikt als zelfstandig naamwoord)
  • Na bijna een uur kwam in de verte eindelijk de vertrouwde gele bus aanrijden.
  • De door hem zo hartstochtelijk geliefde docente nam tot zijn grote verdriet ontslag. (de hoort hier bij docente)

De wordt gebruikt bij mannelijke en vrouwelijke woorden en bij meervouden, het bij onzijdige woorden in het enkelvoud: de man, de commissie, de bond, de huizen, het paard, het mannetje. Er zijn weinig regels te geven voor het gebruik van de of het; moedertaalsprekers leren 'vanzelf' welk lidwoord het juiste is. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) geeft wel enkele vuistregels over de vorm- en betekeniscategorieën van de-woorden en van het-woorden.