Wat betekent kachel zijn en waar komt deze uitdrukking vandaan?

Kachel zijn betekent ‘(stom)dronken zijn’. Als iemand een beetje dronken (aangeschoten) is, kun je zeggen dat hij of zij half kachel is.

De herkomst van kachel zijn is helaas niet bekend. Er is mogelijk een verband met gepoetst zijn, een verouderde uitdrukking waarin gepoetst ‘dronken’ betekent. Vergelijkbaar zijn de uitdrukkingen vet zijn en in de olie zijn, die ook betrekking hebben op dronkenschap. Gepoetst (‘glimmend, glad’) deed misschien denken aan een (glimmende) kachel. Vandaar zou kachel in gebruik gekomen kunnen zijn om iemand die glom mee aan te duiden, waarna de uitdrukking kachel zijn ontstond voor iemand die ‘glom van dronkenschap’.

Een andere mogelijkheid is dat kachel zijn voortkomt uit de gelijkenis die men zag tussen het rode gezicht van een dronkeman en een roodgloeiende kachel. Hij heb de brand kwam eveneens voor in de betekenis ‘hij is dronken’, evenals de kachel aanhebben.

Een derde mogelijkheid is een verband met kachel als Bargoens woord voor ‘dronken’. Veel Bargoense woorden zijn overgenomen uit het Jiddisch, en het Jiddisch heeft weer veel Hebreeuws in zich. Het Hebreeuws kent het woord kachol, dat ‘blauw’ betekent. En in het Duits (dat veel invloed had op het Jiddisch) betekent blau sein ‘dronken zijn’. Wat dan wel vreemd is, is dat in het Jiddisch kachel niet voorkomt in de betekenis ‘dronken’. Het zelfstandig naamwoord kachel betekent daarin ‘tegel’, net als het Duitse kachel.

Blauw zijn

Ook het Nederlandse blauw zijn heeft de betekenis ‘dronken zijn’. Hiervan is de herkomst eveneens niet duidelijk. Misschien verwijst blauw naar het blauwe waas dat een dronken iemand voor zijn ogen krijgt, of naar de blauwachtige kleur van iemands neus als hij dronken is, of naar blauwsel, een ander woord voor ‘spiritus’. Zwervers gebruikten deze blauwe vloeistof soms als sterke drank.