Waar komt de zegswijze kachel zijn vandaan?

Kachel zijn betekent '(stom)dronken zijn'. Je kunt ook half kachel zijn; dan ben je aangeschoten.

De herkomst van kachel zijn is niet bekend. Er zijn wel enkele theorieën die de herkomst mogelijk verklaren; F.A. Stoett geeft er twee. Misschien is er een verband met hij is gepoetst, een verouderde uitdrukking waarin gepoetst 'dronken' betekent (vergelijk hij is vet en hij is in de olie, ook uitdrukkingen die betrekking hebben op dronkenschap). Gepoetst ('glimmend, glad') deed vervolgens denken aan een (glimmende) kachel. Vandaar zou kachel in gebruik gekomen kunnen zijn om iemand die glom mee aan te duiden, waarna de uitdrukking hij is kachel ontstond voor iemand die 'glom van dronkenschap'.

De tweede mogelijkheid die Stoett geeft, is dat hij is kachel voortkomt uit de gelijkenis die men zag tussen het rode gezicht van een dronkeman en een roodgloeiende kachel. Hij heb de brand kwam eveneens voor in de betekenis 'hij is dronken', evenals de kachel aanhebben.

Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN) houdt ook een slag om de arm: "[Kachel in de betekenis 'dronken' is] oorspronkelijk een Bargoens woord, waarvan de herkomst onbekend is." De medewerkers van het EWN hebben zich echter nog eens over de kwestie gebogen. Er is namelijk wel iets opvallends met kachel zijn. Veel Bargoense woorden zijn overgenomen uit het Jiddisch, en het Jiddisch heeft weer veel Hebreeuws in zich. Het Hebreeuws kent het woord kachol, dat 'blauw' betekent. En in het Duits (dat veel invloed had op het Jiddisch) betekent blau sein 'dronken zijn'. Misschien is er dus een verband tussen het Hebreeuwse woord voor blauw en het Duitse blau, maar wat dan de verbindende schakel zou kunnen zijn, blijft onduidelijk. In het Jiddisch komt kachel in de betekenis 'dronken' namelijk niet voor; het zelfstandig naamwoord kachel betekent daarin 'tegel', net als het Duitse kachel.

Ook het Nederlandse blauw zijn heeft de betekenis 'dronken zijn'. Hiervan is de herkomst eveneens niet duidelijk. Misschien verwijst blauw naar het blauwe waas dat een dronken iemand voor zijn ogen krijgt, of naar de blauwachtige kleur van iemands neus als hij dronken is, of naar blauwsel, een ander woord voor 'spiritus'; zwervers gebruikten deze blauwe vloeistof soms als sterkedrank.