Waar komt 'Je zal ze de kost moeten geven!' vandaan?

De uitroep 'Je zal ze de kost moeten geven!' wordt vaak gebruikt in een situatie waarin er twijfel bestaat of iets wat beweerd is, werkelijk voor veel mensen geldt. Er wordt meestal mee bedoeld: 'je vergist je; er zijn veel mensen voor wie dit níét geldt'. Bijvoorbeeld: 'Jij denkt dat de meeste mensen scrabbelen saai vinden? Je zal ze de kost moeten geven die het elke week spelen!' Of: 'Ik zou ze niet graag de kost geven die het elke week spelen.' Oftewel: je vergist je, scrabbelen is juist populair bij veel mensen. 

'Je zal ze de kost moeten geven' wordt ook weleens gebruikt als een bevestiging: 'Wat zijn er toch veel mensen die elke week scrabble spelen' - 'Inderdaad, je zal ze de kost moeten geven!' Of: 'Inderdaad, ik zou ze niet graag de kost geven!' 

Kost betekent hier 'de dagelijkse maaltijden'. Zo kon je vroeger een kamer huren met kost en inwoning, wat betekende dat je voor een bepaald bedrag een kamer bewoonde én een of meer maaltijden per dag kreeg. Volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) wordt er met 'Je zal ze de kost moeten geven!' eigenlijk bedoeld: 'Als je alle monden zou moeten voeden van de mensen voor wie datgene wat jij beweert niet geldt, zou je failliet gaan, zo veel eten zou je moeten inslaan!' 

Andere bekende uitdrukkingen met kost zijn:

  • Dat is andere kost ('dat is iets heel anders', 'dat lijkt er meer op, dat is beter');
  • De kost verdienen ('werken om in zijn levensonderhoud te voorzien');
  • Wat doet zij voor de kost? ('wat is haar beroep?');
  • Doe jij ook maar eens wat voor de kost ('help eens mee', 'steek je handen eens uit de mouwen');
  • Zijn kostje is gekocht ('hij is verzekerd van een goed bestaan', 'hij is binnen', 'hij heeft het voor elkaar'; eigenlijk: 'hij heeft zich of hij is ergens ingekocht, zodat hij geen kosten meer hoeft te maken voor zijn levensonderhoud'; dit werd bijvoorbeeld gezegd van oude mensen die in de voorlopers van onze verzorgingshuizen gingen wonen);
  • Zijn ogen (goed) de kost geven ('goed opletten', letterlijk: 'zijn ogen goed te eten geven').