Waar komt je schaapjes op het droge hebben vandaan?

Wie zijn schaapjes op het droge heeft, is 'binnen'; hij of zij heeft genoeg geld verdiend om rustig te kunnen leven.

De uitdrukking komt al sinds de zestiende eeuw voor. Het spreekwoordenboek van F.A. Stoett meldt dat men schapen vroeger vaak liet grazen op buitendijkse stukken land, die (alleen) bij hoge vloed  onder water liepen. Als er hoge vloed was, moesten ze tijdig in veiligheid gebracht worden op hoger gelegen of door dijken beschermde 'droge' gronden. “Wie zoo gedaan had,” aldus Stoett, “kon den dag van morgen, de toekomst onbezorgd tegemoet gaan.”

Ook het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) geeft aan dat deze uitdrukking teruggaat op de waakzaamheid die nodig was met betrekking tot dieren die op de laaggelegen gronden grazen. Wie niet goed lette op de wisseling van de getijden, kon zijn dieren verliezen. Wie wel waakzaam was, kon gerust zijn. Vandaar ontstond kennelijk de betekenis 'in het algemeen gerust kunnen zijn' en vervolgens 'je zaken voor elkaar hebben, genoeg geld hebben om rustig te kunnen leven'.

Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) kon je ook je koetjes op het droge hebben. Het WNT vermeldt verder dat op het droge ook zonder schaapjes/koetjes voorkwam in de betekenis 'in goede geldelijke omstandigheden'. 'We kwamen weer op het droge' kon dus betekenen: 'we kwamen er financieel weer bovenop'.